Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je hoeft niet te denken dat ik zoo dom zal zijn je te helpen," dacht Ingmar. J8F

't Gelukte een van de mannen Hellgum op 't hoofd te treffen, met zulk een kracht, dat hij zijn bijl losliet en viel. De anderen slingerden de stukken hout weg, trokken hun messen en vielen op Hellgum aan. Maar daar trof Ingmar een herinnering. Er werd van ouds gezegd van de menschen uit zijn familie, dat ze allen eens in hun leven een'eerlooze of lage daad moesten doen.

Was hij nu aan de beurt? !|

Opeens voelde een van de aanvallers, dat een paar armen hem van achteren aangrepen, hem optrokken en hem uit de kamer wierpen. De tweede kon er nauwelijks over denken op te staan, toen 't hem evenzoo ging, en de derde, die tijd had op te staan, kreeg een stomp, die hem vlug de anderen achterna zond. Toen ze allen buiten de kamer waren, ging Ingmar in de deur staan.

Wil jelui niet nog eens binnenkomen?" zei hy lachend. Hy zoü er niets tegen gehad hebben, dat ze hem aanvielen, t Was prettig zoo eens al zijn kracht te kunnen gebruiken.

De drie broeders schenen ook wel geneigd den stryd voort te zetten. Maar plotseling riep een, dat ze vluchten moesten. Hy zag op 't pad achter de elzeboomen een mensch aankomen. ' Maar ze waren woedend, dat ze Hellgum hadden moeten loslaten, en juist toen ze zich omkeerden om weg te gaan, sprong een van hen weer terug, vloog op Ingmar af en stak hem met zijn mes in den nek. . „ .

Dat heb je er voor, dat je je met onze zaken bemoeit, nep hii" Ingmar zonk neer en de boer liep lachend weg.

Een paar minuten later stond Karin in de kamer. Ze vond Ingmar zittend op den drempel met de wond in den nek. Binnen in de kamer zag ze Hellgum. Hij was weer opgestaan en stond tegen den muur geleund. Hij hield de bijl nog in de hand. Zyn gezicht was met bloed overstroomd.

Karin had de vluchtenden niet gezien. Ze meende, dat Ingmar Hellgum aangevallen en hem gewond had. Zii werd zoo verschrikt, dat haar knieën knikten. „Neen, dat is toch niet mogelijk," dacht ze, „dat, iemand van onze familie een moordenaar worden kan." Maar op t zeilde oogenblik dacht ze aan de geschiedenis van haar moeder. „Daar komt het van," mompelde ze. Karin liep Ingmar voorbij en naar Hellgum. „Neen, neen, eerst Ingmar," riep Hellgum. J „Men helpt toch niet eerst den moordenaar en dan zyn otter, antwoordde Karin.

Eerst Ingmar, eerst Ingmar!" riep Hellgum weer. Hy was zoo opgewonden, dat hij de bijl tegen haar zwaaide. „Hy heeft immers

110

Sluiten