Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE GEDEELTE.

DE ONDERGANG VAN DE „UNIVERS".

Op een mistigen zomernacht in 1880, dus een paar jaar vóór de schoolmeester zijn zendingshuis bouwde en Hellgum terugkwam uit Amerika, stoomde een Fransche passagiersboot: „L'Univers", over den Atlantischen Oceaan, op reis tusschen New York en Havre.

't Was zoowat vier uur in den morgen, en alle passagiers, zoowel als de meeste manschappen, lagen in hun kooien te slapen. Het groote dek was heelemaal leeg.

Juist bij het aanbreken van den dag lag een oude, Fransche matroos in zijn hangmat, en wierp zich heen en weer, zonder te kunnen slapen. Er stond wat zee, en al 't houtwerk kraakte en knapte zonder ophouden, maar dat was 't niet, wat hem uit den slaap hield.

Hij en zijn kameraden lagen in een groot, maar heel laag afgeschoten stuk van het tusschendek. Er was licht door een paar lantaarns, zoodat hij de grauwe kooien kon zien hangen in dichte rijen, en zacht met de slapenden heen en weer wiegen. Nu en dan kwam door een van de waterpoorten een windvlaag binnen, zóó koel en vochtig, dat de heele zee, die daarbuiten onder den nevel haar groenachtige golven deed dansen, voor zijn oogen voorbrj trok.

„Er gaat toch niets boven de zee," dacht de oude zeeman.

Terwijl hij zoo dacht, werd het opeens wonderlijk stil om hem heen. Hij hoorde niet langer het stampen van de machine, of 't rammelen van den roerketting, of 't spoelen van de golven, of 't suizen van den wind.

De gedachte kwam bij hem op, of 't heele schip ook opeens naar den grond zou zijn gegaan, en dat hij en zijn kameraden nooit zouden worden afgelegd en gekist, maar daar ten eeuwigen dage blijven hangen in de grauwe kooien onder in zee.

Vroeger was hij bang geweest om een graf in de golven te

113

Sluiten