Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vinden. Nu scheen het hem niet onaangenaam toe. Hij had liever het beweeglijke doorschijnende water boven zich, dan de donkere, zwarte, verstikkende aarde op het kerkhof.

„Er gaat toch niets boven de zee," dacht hij nog eens, maar toen begon hij over iets na te denken, dat hem onrustig maakte. Hrj wist niet of het zijn ziel ook schaden zou, dat hij daar diep in zee rustte, en 't laatste oliesel niet ontvangen had. Hij werd bang, dat zij nooit den weg naar den hemel zou vinden.

Op hetzelfde oogenblik scheen een zwak licht van voren, waar het ruim smaller werd, naar binnen, en hij ging overeind zitten en boog zich over de hangmat om te zien van waar dat kwam. Hij merkte toen, dat er een paar personen aankwamen met brandende kaarsen. Hij boog zich al verder voorover, om te zien wie er naderde.

De kooien hingen zoo dicht naast elkander en zoo kort bij den grond, dat als iemand door het ruim wilde komen zonder hen, die lagen te slapen, te stooten of te klemmen, hij 't best zou doen te kruipen. De oude zeeman vroeg zich verwonderd af wie dat zijn zouden, die in staat waren hier den weg te vinden.

Spoedig zag hij ze, 't waren twee kleine koorknapen, die elk een kaars in de hand hadden. Hij zag duidelijk hun lange, zwarte mantels en hun kortgeknipte haren. De zeeman werd in 't geheel niet verbaasd. Hij vond alleen, dat het heel natuurlijk was, dat zij, die zoo klein waren, met brandende kaarsen onder de kooien door konden loopen.

„Ik zou wel eens willen weten of er een priester bij was," dacht hy. Al gauw hoorde hij het gebengel van een klein helder, klokje en zag iemand achter hen aankomen. Maar dat was geen priester; het was een oude vrouw, die niet veel grooter was dan de koorknapen.

Hij meende de oude vrouw te herkennen, ,,'t Moet Moeder zijn," zeide hij. „Ik heb nooit iemand gezien, die kleiner was dan Moeder. En niemand dan Moeder kon zoo zacht en stil rondloopen, zonder iemand te wekken."

Hy zag dat zijn moeder over haar zwarte kleeren een lang hemd van dunne, witte stof aanhad, met witte kant afgezet, juist zooals de priesters dragen. In de hand hield zij 't groote misboek met het gouden kruis, zooals hij het duizenden malen op 't altaar in de kerk in zijn geboorteplaats had zien liggen.

De kleine koorknapen zetten de kaarsen bij zijn hangmat, en knielden neer, terwijl ze hun wierookvaten zwaaiden. De zeeman rook den zoeten geur van den wierook, zag de blauwe dampwolkjes opstijgen, en hoorde hoe de kettinkjes der wierookvaten rinkelden.

Intusschen sloeg zijn moeder het groote misboek op. 't Was

116

Sluiten