Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stak op, en alle ontelbare kleine zeilen stonden zoó gespannen,

dat men er op had kunnen hameren als op een trommelsvel De masten waren gebogen, raas en touwen sprongen met een knal als een kanonschot. ,TT .

De groote driemaster, die in den dichten mist recht op „L Urnvers" was aangezeild, had op een of andere manier zijn boegspriet in de zij van de stoomboot geboord en kon niet loskomen. De passagiersboot slingerde hevig, maar haar schroeven bleven werken, zoodat de beide schepen zich voortbewogen over t water

Groote God!" riep de kleine kajuitsjongen, en stormde naar boven, naar 't dek. „Die stumper is tegen ons aangevaren en moet nu vergaan." . ..

Het kwam niet in hem op, dat de stoomboot in gevaar kon zyn, zoo'n groote sterke boot!

De officieren van de stoomboot kwamen nu aanloopen, maar toen ze zagen, dat het maar een zeilschip was, dat tegen de boot cestooten had, werden zij plotseling gerust, en namen in de grootste kalmte alle maatregelen om de beide schepen te klaren.

De kleine kajuitsjongen stond met bloote beenen op t dek, het hemd fladderde om hem heen in den wind en hu wenkte de ongelukkige mannen op het zeilschip toe, dat ze op de stoomboot moesten springen en hun leven redden.

In 't begin" scheen niemand op hem te letten, maar spoedig zag hij een grooten man met rooden baard, die hem wenkte.

„Kom hier, jongen," riep de man en sprong op de reeling. „De stoomboot zinkt."

Het ventje dacht er geen oogenblik aan op het zeilschip over te gaan Hij riep zoo hard als hij kon, dat de schipbreukelingen zich moesten redden door op de „Univers" over te springen. De andere mannen op het zeilschip werkten met stangen en bootshaken om van de stoomboot los te komen, maar de roodbaard scheen een bizonder medelijden met den kleinen kajuitsjongen te hebben. Hij zette de handen als een scheepsroeper voor den mond en riep: „Kom hier, kom dan toch hier."

De kleine man stond akelig te klappertanden in zijn dunne hemdje op 't dek. Hij stampte met de bloote voeten en balde de vuist tegen het scheepsvolk omdat ze hem niet wilden gehoorzamen en over stappen op de „L'Univers". Een stoomboot zoo groot als „L'Univers" was, met zeshonderd passagiers en tweehonderd man aan scheepsvolk, kon toch onmogelijk vergaan. En hij zag immers, dat de matrozen en de kapitein even gerust waren als hijzelf

Plotseling nam de roodbaard een bootshaak. Hij stak dien naar den jongen uit, haakte in zijn hemd en wilde hem naar het zeilschip trekken. Hij trok hem tot dicht bij de reeling, maar daar

118

Sluiten