Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lukte het den kajuitsjongen zich los te rukken. Hij wilde niet op dat vreemde schip gesleept worden, dat vergaan zou.

Onmiddellijk daarna hoorde men een vreeselijk gekraak, 't Was de boegspriet van het zeilschip, die barstte, en opeens waren de beide vaartuigen los van elkaar. Toen de stoomboot voortstoof over 't water, zag de jongen den zwarten boegspriet gebroken achter het zeilschip aanslepen, en heele wolken van zeil op de bemanning neerstorten.

Maar de stoomboot ging voort in volle vaart, en het vreemde schip verdween in den mist. 't Laatste wat de kajuitsjongen zag, was, hoe de mannen zich onder den hoop zeilen uitwerkten. Daarop verdween het zeilschip geheel, alsof het achter een muur gezeild was. „Nu is het algezonken," dacht de jongen, en hn stond te luisteren naar noodkreten.

Daar riep een sterke, zware stem van uit de verte naar de stoomboot: „Redt de passagiers! zet de booten uit."

Alles bleef stil. De jongen bleef luisterend staan.

Weer hoorde hij die stem, nu op grooter afstand: „Bidt tot God. Gijlieden ztjt verloren."

Op hetzelfde oogenblik kwam een oude matroos op den kapitein toe.

„Wij hebben een groot lek midden in 't schip. Wij zinken," zei hij zacht en plechtig.

Op 't zelfde oogenblik bijna, dat men aan boord van de stoomboot het gevaar begrepen had, kwam een klein dametje naar boven op het dek.

Zij was de trap van de eerste kajuit opgeloopen met vaste, rustige stappen. Ze was gepakt en gezakt, en de linten van haar hoed waren netjes onder de kin vastgestrikt.

Het was een klein, oud vrouwtje, met grijs, ruig haar, ronde uilenoogjes en koperroode gelaatskleur.

In den korten tijd, dat de reis duurde, was het haar gelukt met alle menschen aan boord kennis te maken; allen wisten, dat ze Miss Höggs heette, en aan alle menschen, zeelieden en passagiers, had ze verteld, dat ze nooit bang was. Ze moest toch eens' sterven. Ze gaf er niet om, of dat wat vroeger of later gebeurde.

Ze was nu ook niet bang. Ze was alleen gauw op 't dek gekomen, om te zien of daar ook iets interessants of treffends gebeurde.

't Eerste wat zij zag, waren een paar matrozen, die met woeste, verschrikte gezichten voorbij stoven. De oppassers kwamen half gekleed aanhollen om bij de hutten te komen en de passagiers te wekken. Een oude matroos kwam aan, beladen met een heel pak reddingsgordels, die hij op een hoop neergooide. Een kleine

119

Sluiten