Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de wereld; ze dacht er alleen aan haar ziel aan God te geven.

En haar ziel voer op als een vrijgemaakte gevangene, ze voelde hoe de geest zich verheugde bij het afwerpen van de zware boeien van 't menschelijk lichaam, en zich jubelend voorbereidde op te varen naar zijn werkelijk vaderhuis.

„Is het zoo gemakkelijk te sterven!" vroeg zij zich af.

Terwijl ze zoo dacht, hoorde ze hoe al 't verwarde gedruisch om haar heen: 't plassen van de golven, 't suizen van de wind, 't gejammer van alle verdrinkenden en 't gedruisch van alles wat in 't water ronddreef, en dreunend tegen elkaar bonsde, ineenvloeide tot één geluid, dat zij verstaan kon, zooals soms vormlooze wolken kunnen samenvloeien tot een bepaald omgrensd beeld.

En wat zij hoorde, antwoordde haar: „Ja, 't is gemakkelijk te sterven. Te leven, dat is moeielijk."

„Ja, dat is zoo," dacht ze, en ze vroeg zich af wat er noodig zrjn zou om het leven even gemakkelijk te maken als het sterven.

Om haar heen vochten de schipbreukelingen, om drijvende stokken en omgekeerde booten. Maar midden onder het wilde schreeuwen en vloeken hoorde ze weer, hoe al het gedruisch samenvloeide tot een sterke stem, die haar antwoordde:

„Wat noodig is om het leven even gemakkelijk als het sterven te maken, is eensgezindheid, eensgezindheid, eensgezindheid!"

Ze kreeg den indruk alsof de Heer der wereld al dit gedruisch en geraas tot Zijn spreekroer maakte en haar antwoordde.

Terwijl die woorden haar nog in de ooren klonken, werd zij gered. Ze werd opgetrokken in een kleine boot, waar maar drie menschen in zaten: een flink gebouwd matroos, in zijn beste kleeren gedost, een oud vrouwtje met ronde uilenoogen, en een arm, klein beschreid jongetje, dat niet anders dan een verscheurd hemd aanhad.

Tegen den middag van den volgenden dag kwam een Noorsch vaartuig op de groote banken en het vischwater bij Newfoundland aanzeilen.

't Was stil, mooi weer, de zee lag nagenoeg spiegelglad, en 't vaartuig had bijna geen vaart, 't Stond met alle zeilen bij en ving den laatsten ademtocht van den stervenden wind op.

Het watervlak zag er prachtig uit. Blank en lichtblauw lag het ver in 't rond, en waar de zwakke bries langs gleed, was het zilverwit.

Een poos na die middagstilte bemerkte het scheepsvolk, dat een donker voorwerp op 't water dreef.

124

Sluiten