Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de tafel, en vóór haar, op haar plaats lag een open brief met

een Amerikaanschen postzegel.

Ja er is een brief van onzen dierbaren broeder Hellgum gekomen," zei Halfvor. „Daarom heb ik de broeders en zusters bijeengeroepen-." . . . „

„Ik begrijp, dat Halfvor meent, dat het een gewichtig bericht is% zei Kolas Gunnar nadenkend.

Ja " zei Halfvor, „nu zullen we hooren wat Hellgum meende mét wat hij laatst schreef van de groote beproeving, die ons te wachten stond." ...

„Ik geloof, dat niemand van ons vreezen zal te lijden ter wille van den Heer," zei Gunnar. i

Verscheidene van 'de Hellgumianen waren nog niet gekomen en men wachtte lang. De oude vrouw, Eva Gunnarsdochter, zat met haar vérziende oogen naar Hellgums brief te kijken. Ze dacht aan den brief met de vele zegels uit de Openbaring. Ze meende dat op 't zelfde oogenblik, dat een menschenhand dien brief aanraakte, de engel der verwoesting uit den Hemel zou komen neerdalen. FV; T ,

Ze hief de oogen op en zag naar het schilderij van Jeruzalem. Ja, ja," mompelde zij, „zeker wil ik naar die stad gaan, waar de poorten van goud zijn en de muren van gebrand glas. En ze begon zacht in zichzelf te prevelen: „En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd: het eerste fondament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon. Het vierde smaragd, het vijfde sardomx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beryliet, het negende topaas, het tiende chrysophaas, het elfde hyacinth, het twaalfde

amethyst." p-sfe _ , .

De oude vrouw was zóó verdiept in haar dierbaar Openbanngs-

boek, dat ze opschrikte, alsof ze uit een vasten slaap wakker werd

toen Halfvor naar de tafel ging, waar de brief lag.

„Nu zullen we om te beginnen een lied zingen, zei Haltvor.

„We zullen nemen No. 244." En de Hellgumianen zongen:

Mijn teergeliefd Jeruzalem,

Mijn schoone gulden stad,

Mijn rijk, mijn dierbaar Vaderhuis,

Naar U voert ons het pad!

Eva Gunnarsdochter zuchtte van verlichting, omdat het vreeselijk oogenblik nog was uitgesteld. v

„Och, och! dat ik, oude ziel, nog zoo bang ben om te sterven, dacht ze beschaamd.

130

Sluiten