Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen het lied uit was, nam Halfvor den brief en begon dien open te vouwen.

Maar toen kwam de geest over Eva Gunnarsdochter, en ze stond op en hield een lang gebed om genade, opdat zij op de rechte wijze de tijding mochten ontvangen, die de brief hun brengen zou. Halfvor stond met den brief in de hand, stil te wachten, tot zij klaar was.

Toen begon hij te lezen, op een toon, alsof hij een preek las.

„Geliefde broeders en zusters. De vrede Gods zij met u. Tot hiertoe heb ik gemeend, dat ik en gijlieden, die tot mijn leer zijn overgegaan, de eenigen waren, die dit geloofden. Maar God zij dank, nu hebben wij hier in Chicago geloofsgenooten en broeders gevonden, die denken en leven naar dezelfde grondbeginselen.

Want gij moet weten dat hier in de stad Chicago in 1880 een man woonde, Edward Gordon geheeten. Hij en zijn vrouw waren godvruchtig. Zij treurden bitter over al den nood, die op aarde was, en baden God om genade, opdat ze iets bij mochten dragen tot hulp van anderen.

Nu gebeurde het, dat Edward Gordons vrouw een lange reis over zee moest maken, en schipbreuk leed, en in de golven geworpen werd. En toen zij in den uitersten nood was, sprak Gods stem tot haar. En Gods stem beval haar den menschen te leeren, dat zij in eensgezindheid leven moesten. En die vrouw werd gered uit zee, en ze kwam bij haar man, en verkondigde hem het bevel van God. Toen sprak hij: „Dit is een groot gebod, dat God ons gegeven heeft, dat wij eensgezind zullen leven. En wij zullen het gehoorzamen. Dit is zulk een groot gebod, dat er niet meer dan één plaats op de wereld is, waardig dat te ontvangen. Laat ons daarom onze vrienden bijeenroepen en met hen naar Jeruzalem trekken, en Gods laatste heilige gebod van den berg Sion verkondigen."

Daarop trokken Edward Gordon en zijn vrouw en dertig anderen, die Gods laatste heilig gebod wilden gehoorzamen, naar Jeruzalem. P^8p

Daar leefden zij allen eendrachtelijk in hetzelfde huis. Zij deelden te samen hun bezittingen, dienden elkander en waakten over eikaars leven.

En zij namen de kinderen der armen tot zich en verzorgden hun zieken. Zij steunden de ouden van dagen en hielpen allen, die hun hulp begeerden, zonder loon of betaling te vragen.

Maar zij predikten niet in de kerken of op de markt, want zQ zeiden: „Ons leven moet voor ons spreken."

Maar de menschen, die van hun levenswijze hoorden, zeiden: „Dit moeten dwazen zijn."

131

Sluiten