Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zij, die 't luidst hun stem tegen hen verhieven, waren die Christenen, die naar Palestina getrokken waren om Joden en Mohammedanen te bekeeren door onderwijs en prediking. Zy zeiden: „Wie zijn dezen, die niet prediken? Zeker zyn zy hier gekomen om een slecht leven te leiden, en om den lust der zinnen bot te vieren onder de heidenen." ,. , ^„

En van deze menschen ging een roep over hen uit, die doordrong tot hun geboorteland.

Ma'ar onder hen, die naar Jeruzalem gereisd waren, was een weduwe. Zij leefde daar met twee minderjarige kinderen en zy was zeer rijk. Ze had nog een broeder tehuis, en tot hem begonnen alle menschen te spreken en te zeggen: „Hoe kunt ge toelaten dat uw zuster met haar kinderen woont by hen, die een slecht leven leiden? Het zijn niet anders dan lediggangers, die van haar geld leven." 4 .

En de broeder begon een proces tegen zijn zuster om haar ten minste te dwingen haar kinderen in Amerika te laten opgroeien.

Ter wille van dit proces reisden de weduwe en haar kinderen met Edward Gordon en zijn vrouw voor een korten tyd weer naar Chicago. Zij hadden reeds veertien jaar in Jeruzalem ge-

W Toen zij weer uit dat verre land terugkwamen, werd er in alle couranten over hen geschreven, en sommigen noemden hen dwazen, en anderen bedriegers.

Toen Halfvor dit alles had voorgelezen, hield hy even op en vertelde in zijn eigen woorden nog eens het geheele verhaal, zoodat ieder het begrijpen kon:

Toen ging hij voort: „Maar zie, nu is er in Chicago een huis, dat ge kent. En dat huis is vol menschen, die God trachten te dienen in rechtvaardigheid, die alles met elkaar deelen en over eikaars leven waken. Wij, die in dat huis wonen, lazen in een courant van die „dwazen", die uit Jeruzalem gekomen waren en wü zeiden tot elkaar: „Deze menschen hebben ons geloof. Zy hebben zich by elkaar aangesloten om een rechtvaardig leven te leiden. Wy willen hen zien, die denken als wij."

En wy schreven hun, dat ze ons moesten komen bezoeken. En zij, die uit Jeruzalem kwamen, gaven gehoor aan onze roepstem en wij vergeleken ons geloof en zeiden: „Zie, wy hebben t zelfde geloof, 't Is een genade van God, dat wij elkaar gevonden

h6Zije vertelden ons van de heerlijkheid van Gods stad, die daar stralend ligt op haar witten berg, en wij prezen hen gelukkig, die op de paden wandelden, die Jezus betreden had.

Toen zeiden eenigen van ons. „Wel waarom zouden wy u niet volgen naar Jeruzalem?"

132

Sluiten