Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij antwoordden: „Gijlieden moet met ons meegaan, want Gods Heilige stad is vol oneenigheid en strijd, vol nood en ziekte, vol boosheid en armoede."

En dadelijk riep een ander van de onzen: „Misschien heeft God u tot ons gezonden, opdat we u daarheen zouden volgen en dat alles bestrijden."

En allen hoorden wij op 't zelfde oogenblik Gods stem in onze harten, die luide sprak: „Ga! ja, dat is Mijn wil!"

Wij vroegen hun, of zij ons in hun midden wilden opnemen, hoewel we arm en ongeleerd waren, en zij antwoordden, dat zij dat wilden.

Toen besloten wij, dat wij broeders en zusters wilden zijn, en alles te zamen deelen, en zij namen ons geloof aan en wij het hunne, en al dien tijd was de geest over ons, en wij voelden groote vreugde in ons hart. En wij zeiden: „Nu zien wij, dat God ons liefheeft, nu Hij ons naar hetzelfde land zendt, waar Hij eens Zijn zoon heenzond. En nu weten we, dat onze leer de ware is, nu God wil, dat die verkondigd zal worden van Zijn heiligen berg Sion."

Maar toen zeide een van de onzen: „En onze broeders in Zweden?"

En wij spraken tot de Jeruzalemmers: „Wij zijn met meer dan ge hier ziet. Wij hebben broeders en zusters in Zweden. Zij worden hard beproefd door afvalligheid, en voeren een zwaren strijd voor de rechtvaardigheid, omdat zij onder zondaars moeten leven."

Toen antwoordden de Jeruzalemmers: „Laten uw broeders en zusters in Zweden bij ons komen in Jeruzalem en deelnemen aan het heilige werk."

En eerst werden wij verblijd bij de gedachte, dat gijlieden bij ons zoudt komen en een gemeenschappelijk leven in vreugde leiden in Jeruzalem, maar dadelijk daarop werden wij bekommerd en zeiden : „Nooit kunnen zij hun groote hoeven verlaten, en hun goede akkers, en hun gewonen arbeid."

Maar de Jeruzalemmers antwoordden: „Wij hebben geen akkers en geen groote hoeve om hun aan te bieden, maar zij zullen wandelen op de wegen, die Jezus' voeten betreden hebben."

Wij twijfelden nog, en wij zeiden: „Nooit zullen ze naar een vreemd land gaan, waar niemand hun taal verstaat."

De Jeruzalemmers antwoordden: „Zij zullen 't wel verstaan als de steenen van hun Verlosser verhalen."

Wij zeiden: „Zij zullen hun bezittingen niet willen verdeelen onder vreemden en arm worden als bedelaars. Zij zullen hun macht niet willen opgeven, want zij behooren tot de aanzienlijksten in hun geboorteplaats."

De Jeruzalemmers antwoordden: „Wij hebben geen macht en

133

Sluiten