Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezittingen om hun aan te bieden, maar wij bieden hun aan, het lijden van Jezus hun verlosser, te deelen."

En toen zij dit gezegd hadden, voelden wij zeer groote blijdschap en meenden, dat gijlieden zoudt komen.

Maar nu zeg ik u, lieve broeders en zusters, spreekt niet te zamen, als gij dit gelezen hebt, maar weest stil en luistert! En wat Gods stem u gebiedt, doet dat."

Halfvor vouwde den brief dicht en sprak: „Nu moeten wij doen, zooals Hellgum schrijft. Wij zullen stil zijn en luisteren."

Nu werd het langen tijd stil in de groote kamer op de Ingmarshoeve.

De oude Eva Gunnars dochter zat stil als de anderen, en wachtte tot Gods stem tot haar zou spreken. Zij begreep dat alles op haar manier.

„Ja, ja," dacht zij, „het is Hellgums bedoeling, dat wij naar Jeruzalem zouden trekken om de groote verwoesting te ontgaan. De Heer wil ons redden uit den zwavelvloed en ons van den vuurregen bewaren. En de rechtvaardigen onder ons zullen Gods stem hooren, en hun zal gegeven worden te ontkomen."

De oude vrouw dacht er geen oogenblik aan, dat het voor iemand een opoffering zijn kon van huis en haard te scheiden, als het om zoo iets ernstigs te doen was. 't Kwam niet in haar op, dat iemand nog twijfelen kon, of hij de groene wouden van zijn geboorteland zou verlaten, de vriendelijk voortglijdende beek, en de goede akkers. Verscheidenen van de anderen dachten met vrees aan een geheel andere levenswijze, aan 't verlaten van 't ouderlijke huis, van ouders en verwanten, maar zij niet. Dit beteekende immers, dat God hen wilde redden, zooals hij vroeger Noach en Loth gered had. Ze werden immers geroepen tot een leven van bovenaardsche zaligheid in Gods heilige stad. Ze vond, dat het was alsof Hellgum schreef, dat ze in levenden lijve in den hemel zouden worden opgenomen.

Allen zaten met gesloten oogen, geheel in zichzelf verdiept. Velen hadden 't zoo zwaar, dat het koude zweet hun op 't gezicht stond. „Ja, dat is zeker de beproeving, die Hellgum ons voorspelde," zuchtten ze.

De zon was aan het ondergaan, zoodat zij aan den horizont stond en schuine stralen in de kamer schoot. De avondschijn lag bloedrood over al die bleeke gezichten.

Eindelijk bewoog Marta Ingmarsdochter, de vrouw van Ljung Björn, zich; ze gleed van de bank op de knieën. En de een na den ander volgde haar voorbeeld. Opeens haalden verscheidenen diep adem, en hun gezicht werd door een lach verhelderd.

Daarop zei Karin Ingmarsdochter met verwondering in haar stem: „Ik hoor Gods stem, die mij roept!"

134

Sluiten