Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gunhild van den rechter hief de handen in verrukking omhoog,

terwijl de tranen haar over 't gelaat stroomden.

„Ik zal ook reizen," zei ze, „Gods stem roept mij."

Daarop spraken Krister Larsson en zijn vrouw bijna tegelijk: „Ik hoor in mijn ooren roepen, dat ik op reis moet aan. Ik hoor Gods stem, die mij roept."

De stem kwam tot den een na den ander, en op 't zelfde oogenblik week alle angst en beklemming van hen.

't Was een groote blijdschap, die over hen kwam. Zij dachten niet meer aan hun hoeven en verwanten; zij dachten er enkel en alleen aan, dat hun vereeniging opnieuw zou bloeien, zij dachten aan de heerlijkheid, te mogen wonen in Gods stad.

De roepstem was tot de meesten gekomen, maar zij had Halfvor Halfvorsen nog niet bereikt. Hij worstelde met alle kracht :n 't gebed, en hij werd angstig en dacht: „God wil mij niet roepen zooals de anderen. Hij ziet, dat ik mijn land en mijn akkers meer liefheb dan Zijn woord. Ik ben niet waardig naar Jeruzalem te gaan."

Karin Ingmarsdochter ging naar Halfvor en legde haar hand op zijn voorhoofd. — „Je moet stil wezen, Halfvor en in stilte luisteren."

Halfvor klemde de handen samen, zóó heftig, dat ze kraakten. „Misschien acht God mij niet waardig om mee te mogen gaan," zei hij.

„Ja, Halfvor, je moogt zeker meegaan, maar je moet stil zijn." zei Karin. Ze viel naast hem op de knieën en legde haar arm om hem heen.

„Luister nu stil, Halfvor, en zonder angst." —

Na eenige oogenblikken verdween de spanning uit zijn gezicht. „Ik hoor.. ik hoor iets heel in de verte."

„Dat zijn de Engelenharpen, die aan Gods stem voorafgaan," fluisterde zijn vrouw. „Wees nu heel stil, Halfvor." Zij drukte zich nog vaster tegen hem aan, zooals zij nog nooit in het bijzijn van anderen gedaan had.

„Ach," zei hij en sloeg de handen in elkaar, „nu hoorde ik het. Een stem zei luid in myn ooren, zóó dat het dreunde: „Gij zult naar mijn heilige stad, Jeruzalem, reizen," — Heb jelui allen 't ook gehoord?"

„Ja," riepen allen. „Zoo hebben wij het gehoord."

Maar nu begon de oude vrouw, Eva Gunnarsdochter, te jammeren: „Ik heb niets gehoord! Ik mag niet mee. Ik ben de vrouw yan Loth — ik mag niet meevluchten. Ik moet hier blijven en word in een zoutpilaar veranderd."

Ze schreide van angst, en de Hellgumianen drongen om haar heen om met haar te bidden. Maar zij hoorde niets en haar angst werd vreeselijk.

135

Sluiten