Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PAAL.

Laat in de schemering, op dienzelfden mooien Februaridag staan twee jonge menschen buiten op den weg te praten

De jonge man is uit het bosch komen aanrijden met een paal die zóó groot is. dat het paard hem nauwelijks kan voortsleepen' loch heeft het paard een grooten omweg gemaakt, opdat de paal door de kerkbuurt en voorbij de groote, wit geschilderde school komen zou. Buiten de school heeft het paard halt gehouden en een jong meisje is dadelijk het hek uitgekomen om den paal te bekijken.

En ze wordt het bewonderen niet moe. Wat is hij lang en dik, wat is hij recht, wat heeft hy een mooien, lichtbruinen bast wat een vast gaaf hout!

De jonge man vertelt heel ernstig, dat hij gegroeid is op een zandvlakte, ver ten noorden van den Olofshoed; hij vertelt hoe hy hem geveld heeft, en hoe lang het hout in 't bosch heeft liggen drogen Hy wijst haar hoeveel duim de paal in omtrek is. en hoeveel in doorsnee.

't Jonge meisje heeft duizenden palen voorbij zien drijven op de beek en voortsleepen op den weg. Ze had nooit kunnen denken dat het zien van een paal haar zoo blij zou kunnen maken.

„Ach Ingmar," zegt ze, „dat is nog maar de eerste." Midden in haar vreugde wordt ze beklemd bij de gedachte, dat het vijf jaar werken en zwoegen kostte, eer Ingmar zóó ver kon komen, dat hij den eersten paal van het timmerhout kon aanbrengen waarvan hun huis gebouwd moest worden. Hoe lang zal het duren eer hij de andere palen brengen en het huis bouwen kan?

Maar Ingmar vindt, dat nu alle bezwaren overwonnen zijn

„Wacht maar, Gertrud," zei hij, „als ik het hout maar beneden heb yóor de wegen slecht worden, dan staat het huis gauw ge-

137

Sluiten