Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP INGMARSHOEVE.

De volgende dag is een Zaterdag. De predikant was uit en reed avonds laat door een hevigen sneeuwstorm. Hij kwam van een zieke, ver ten noorden van het groote bosch, en werkte zich met moeite naar huis. 't Paard zonk diep in de sneeuw, de slee was telkens op 't punt van om te slaan, de predikant en de jongen moesten dikwijls uitstappen om een weg te banen, 't Was niet heel donker; de volle maan brak door de sneeuw en den mist heen, en verlichtte alles zooveel, dat het een lichtgrauwe tint kreeg. Toen de predikant naar boven keek, zag hij, dat de sneeuwvlokken rondvlogen en in de lucht zweefden als kleine witte stipjes.

De reizigers hadden niet overal evenveel moeite om voort te komen. Er waren hier en daar plaatsen op den weg, waar niets van de vallende sneeuw bleef liggen. Daar ging het gemakkelijk, als het er niet al te glad was. Op andere plaatsen lag de sneeuw hoog, maar los en gelijk; daar waren ook geen groote bezwaren. Het moeilijkste was voort te komen, waar de wind de sneeuw in groote hoopen had samengepakt, zóó hoog, dat men er niet overheen kon zien. Daar moest men van den weg afgaan en zien vooruit te komen over akkers en velden, op gevaar af van in een sloot te vallen, of het paard zich te zien spietsen op een of anderen puntigen hekpaal.

De predikant en zijn jongen spraken met groote zorg over den grooten sneeuwhoop, die bij alle stormen gewoonlijk werd opgewaaid tegen een paar oude, hooge planken, vlak bij Ingmarshoeve. „Als we daar maar doorheen kunnen, zijn we zoo goed als thuis," zeiden ze.

De predikant dacht er aan hoe vaak hij Groote Ingmar al gevraagd had die oude planken weg te nemen, die telkens maakten, dat juist daar de sneeuw zich opstapelde. Maar 't had niets ge-

139

Sluiten