Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

holpen 't Was nog altijd hetzelfde. Al veranderde ook alles op Ingmarshoeve, dat stond vast, die planken bleven, waar ze waren.

Spoedig hadden ze de hoeve in 't gezicht, en vonden den sneeuwhoop op zijn gewone plaats, hoog als een muur en vast als een rots. Hier was geen plaats om uit te wijken, zij moesten er dwars overheen. Dat scheen zoo onmogelijk, dat de jongen voorstelde, naar de hoeve te gaan om hulp te halen.

Maar dat wilde de predikant niet. Hij had in geen vijf jaar een woord met Halfvor en Karin gewisseld, en hij vond het al met prettiger dan een andér om oude vrienden te ontmoetten, met wie hij ongenoegen gekregen had. ' •

't Paard moest dus den sneeuwhoop op. Dat ging tot het op den top kwam en toen zakte het in eens weg. Het dier verdween, alsof 't in een graf verzonken was, en de reizigers zaten het verschrikt na te staren. ' .

Op 't zelfde oogenblik, dat het paard m de sneeuw wegzonk, brak een van de disselboomen, en ze konden niet verder rijden.

Eenige minuten later opende de predikant de deur van de groote kamer op Ingmarshoeve.

Daar vlamde een turfvuur op den haard. Aan den eenen kant zat de huismoeder en spon fijn gekamde wol; achter haar zaten meisjes en vrouwen in een lange rij en sponnen werk en vlas. De mannen namen de andere zij van den haard in. Ze waren juist van het hout halen thuis gekomen. Enkelen rustten, anderen waren met licht werk bezig. Zij bonden stokjes samen, slepen de tanden van een hark, of maakten bijlschachten.

Toen de predikant binnenkwam en het ongeluk vertelde, dat hem overkomen was, kwamen allen in beweging. De jongens gingen naar buiten om het paard uit de sneeuw op te graven. Haltvor leidde den predikant naar de tafel, en verzocht hem op de lange bank plaats te nemen. Karin zond de meisjes naar de keuken om koffie te zetten en het avondmaal gereed te maken. Zelf hing zij den pels van den predikant voor het vuur te drogen, stak de hanglamp aan en zette haar spinnewiel bij de tafel, om aan het gesprek van de mannen deel te kunnen nemen.

Beter kon ik niet ontvangen worden, zelfs al leefde Groote Ingmar nog," dacht de predikant. Halfvoor begön langzaam over de wegen te spreken, en ging er toen toe over te vragen of de predikant zijn koren goed getaald gekregen had, en of hem de reparatie aan de pastorie was toegestaan, die hij al zoo lang gewenschl had Karin vroeg naar de vrouw van den proost, en of ze in den laatsten tijd niet wat beter werd van haar zware ziekte.

De jongen van den predikant kwam binnen, zei dat het paard weer opgegraven was, het tuig gemaakt en alles klaar voor den tocht Karin en Halfvor drongen er op aan, dat de predikant

140

Sluiten