Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HÖK MATTS ERIKSON.

't Is een mooie lentedag. Een boer en zijn zoon zijn op weg naar de groote bergwerken, die in 't zuidelijke gedeelte van de gemeente liggen.

Ze wonen heel aan den anderen kant, in 't Noorden, en moeten dus bijna de geheele gemeente door.

Zij gaan voorbij de pas bezaaide velden, die juist nu met groene sprietjes bedekt worden. Zij zien al de sappig groene roggeakkers, al de mooie weiden, waar spoedig de klaver rood zal worden en geuren.

Ze gaan ook voorbij veel huizen, die geverfd worden en nieuwe vensters of nieuwe gevels met glazen veranda's krijgen. Zij gaan voorbij tuinen, waar men aan 't graven en planten is. Alle menschen, die ze tegenkomen, hebben de schoenen vol klei, en aarde aan de handen, omdat ze uit de akkers en kooltuinen komen, waar ze aardappels gepoot en kool geplant hebben, of rapen en wortels gezaaid.

De boer kan niet laten te blijven staan en te vragen welke soort van aardappels ze gepoot hebben, en hoe lang 't geleden is, dat ze haver zaaiden. Zoodra hij een kalf of een veulen ziet, zou hij willen weten hoe oud het wel zou zijn. Hij rekent uit hoeveel koeien zij wel kunnen koopen op de hoeve, die zij voorbijgaan, en denkt er over wat het veulen wel waard zou zijn, als 't op de markt komt.

De zoon tracht telkens zijn gedachten van dit alles af te leiden. „Ik denk er aan, dat u en ik door 't dal van Saron en de woestijn van Judea zullen wandelen," zegt hij.

De vader glimlacht en zijn gezicht straalt even.

„Dat zal wel heerlijk zijn," zegt hij, „in 't spoor van onzen lieven Heer Jezus te wandelen."

Maar oogenblikkelijk daarna worden zijn gedachten weer geboeid door een paar voer ongebluschte kalk, die hem tegemoet rijden. „O Gabriël," zegt hij, „wie denk je, dat nu kalk heeft

142

Sluiten