Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juist nu kunnen gebeuren, zoodra ik klaar was met zaaien."

„Vader," zegt de zoon, „je zult zaaien in 't land, waar een gedeelte valt tusschen de dorens, en een gedeelte op steenachtigen grond, en een gedeelte op den weg en een gedeelte in goede aarde."

„En de oude hut," zegt de vader, „die ik 't allereerst bouwde na de kolenbranderskeet, had ik juist van 't jaar willen afbreken om een huis met twee verdiepingen te bouwen. Wat moet ik nu met al dat timmerhout, dat wij beiden uit het bosch gehaald hebben dezen winter? 't Was toch een hard werk, dat bij elkaar, te sleepen. De paarden hadden 't hard en wij ook!"

De zoon wordt onrustig, 't Is hem alsof zijn vader van hem wegglijdt; hij is bang, dat de oude man niet in de rechte stemming zijn bezittingen aan God ten offer brengt.

„Ja," zegt hij, „maar wat zijn nieuwe huizen en stallen tegenover een rein leven onder geloofsgenooten?"

„Halleluja," antwoordt de vader, „ik weet, dat een heerlijk lot ons is beschoren. En nu ga ik immers naar de bergwerken om mijn hoeve te verkoopen aan de zagerij. Als ik hier weer langs kom, is alles voorbij; dan bezit ik niets meer."

De zoon antwoordt niet. Het verheugt hem, dat zijn vader nog bij zijn-besluit blijft.

Een poos later komen ze voorbij een hoeve, die zeer beschut op een heuvel ligt. Zij heeft een wit geschilderd woonhuis, met balkon en waranda, en rondom het huis staan hooge populieren, met mooie, grauwwitte, sappige stammen.

„Zie," zegt de boer, „juist zoo had ik het willen hebben. Juist zulk een waranda met een balkon er boven en met veel snijwerk. En met zoo'n groote groene vlakte met fijn, dik gras er voor. Zou dat niet mooi geweest zijn Gabriël?"

De zoon antwoordt niet, en de boer begrijpt, dat hij niet langer over de hoeve hooren wil. Nu zwijgt hij ook, maar zijn gedachten zijn aldoor bij zijn hoeve. Hij vaagt zich af, hoe zijn paarden 't zullen hebben,bij den nieuwen eigenaar, hoe 't met alles gaan zal. „Ach," denkt hij, ,,'t is zeker dom van me het aan een maatschappij te verkoopen. Ze zullen zeker 't bosch omhakken en de heele hoeve laten vervallen. Ze laten 't moeras weer moeras worden en de berkeboomen over den akker groeien."

Nu zijn ze aan de bergwerken, en daar wordt weer zijn belangstelling gewekt. Hij ziet ploegen en eggen van een heel nieuwe constructie, en hij herinnert zich plotseling hoe hij heeft verlangd naar een maaimachine.

Hij ziet Gabriël aan, die een knappe jongen is, en droomt er van hoe hij zitten zou op een mooie, ronde maaimachine, met de zweep knallen en 't lange gras neerleggen, als een sterke held zijn vijanden.

144

Sluiten