Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als hij in 't kantoor van de bergwerken komt, is 't hem alsof hem 't geratel van de maaimachine nog in de ooren klinkt. Hij hoort 't zachte neervallen van 't gras, en 't lichte piepen en gonzen van opgeschrikte vogels en insecten.

Op 't kantoor ligt het koopcontract kant en klaar.

Alle onderhandelingen zijn al afgeloopen, de prijs is bepaald, 't contract moet alleen maar onderteekend worden.

Men leest hem het contract voor, en hij zit er naar te luisteren. Hij hoort de tonnen bosch en akker en weide oplezen, den inboedel en den veestapel, dien hij van de hand zal doen. Zijn trekken verstijven. „Neen," zegt hij in zichzelf, „dat zal niet gebeuren."

Als het oplezen voorbij is, wil hij zeggen, dat hij 't niet doen kan. Maar zijn zoon buigt zich naar hem over en fluistert: „Vader, u hebt te kiezen tusschen de hoeve en mij, want i k ga heen, wat u ook doet."

De boer is zoo verdiept geweest in de gedachte aan zijn hoeve, dat 't niet in hem opgekomen is, dat zijn zoon hem verlaten kon.

Ja, zoo — zijn zoon zou in ieder geval heengaan. Hij kon dat niet goed begrijpen. Hy zou niet weggaan als zijn zoon thuis bleef, maar 't was immers duidelijk, dat hy met zyn zoon mee moest.

Hy gaat naar den lessenaar, waar het contract op zijn onderteekening wacht. De chef van de bergwerken geeft hem zelf de pen in de hand en wijst op het papier. „Zie hier," zegt hy. „Hier moet je teekenen, Hök Matts Erikson."

Hy neemt de pen, en opeens herinnert hij zich duidelijk, hoe hy voor dertig jaar een contract onderteekende, waarbij hij een stuk onbebouwden woesten grond kocht.

Hij herinnert zich, dat hij na het onderteekenen zijn eigendom ging bekijken. Toen had hij tot zichzelf gezegd: „Zie daar, wat God je gegeven heeft. Daar heb je werk voor een heel leven."

De chef meent dat hij aarzelt uit onzekerheid, waar hij zyn naam zetten moet. En hy wijst weer. „Zie hier, Hök Matts Erikson. Hier moet je naam staan."

Hij begint te schrijven. „Dit," denkt hy, „schrijf ik ter wille van mijn geloof en myn zaligheid, voor myn lieve vrienden de Hellgumianen, voor ons dierbaar samenleven, om niet alleen achter te blijven, als allen op reis gaan." En zoo schrijft hij den eerr sten naam.

„Dit," denkt hij verder, „schrijf ik ter wille van mijn zoon Gabriël, om zoo'n goeden, lieven zoon niet te verliezen, ter wille van alle tijden, dat hij goed voor zijn ouden vader geweest is, en om hem te toonen, dat hij mij toch het liefst van alles is." En zoo wordt de tweede naam geschreven.

„Maar dit," denkt hy, terwijl hij de pen weer voortbeweegt

jeruzaiem. ïu

145

Sluiten