Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VERKOOPING.

In Mei was het verkooping op Inghiarshoeve.

O, wat was het een mooie dag, zoo warm als in den zomer. Alle mannen hadden de lange, witte pelzen afgelegd en kwamen in korte buizen, en de vrouwen liepen al met de wijde witte mouwen, die bij haar zomerpak hoorden.

De vrouw van den schoolmeester maakte zich gereed om naar de verkooping te gaan. Gertrud wilde niet mee, en Storm kon niet om zijn werk. Toen Moeder Stina klaar was, deed ze de deur van de schoolkamer open en knikte haar man toe ten afscheid. Hij zat met de kinderen te praten over den ondergang van de stad Ninive, en daarbij keek hij zoo boos, dat de arme kleinen doodsbenauwd waren.

Onder de wandeling naar Ingmarshoeve bleef Moeder Stina staan, zoo vaak ze een bloeiende meidoornstruik zag, of een heuveltje, met witte, geurende lelies van dalen bedekt.

„Zou je wel wat mooiers kunnen vinden, ook al reis je naar Jeruzalem?" zei ze.

De vrouw van den schoolmeester was, evenals zooveel anderen, dubbel van haar geboorteplaats gaan houden, omdat de Hellgumianen die een Sodom noemden en ze wilden verlaten. Ze plukte een paar bloempjes, die aan den kant van den weg groeiden, en bekeek ze bijna teer.

„Als we zoo slecht waren, als zij zeggen," dacht zé, „zou 't makkelijk genoeg voor God zijn, ons te verdelgen. Hij behoefde de kou maar te laten voortduren en de aarde bedekt laten blijven met sneeuw. Maar nu onze lieve Heer de lente en de bloemen weer komen laat, vindt Hij toch zeker, dat we 't leven wel waard zijn.

Toen moeder Stina bij de Ingmarshoeve kwam, bleef zij met een angstig gezicht staan.

„Ik geloof, dat ik weer naar huis ga. Ik kan 't niet zien, hoe dat oude huishouden uit elkaar gerukt wordt."

147

Sluiten