Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't nu uit is met de heele gemeente."

Op 't zelfde oogenblik kwam de predikant aanrijden.

Hij zag er ernstig en gedrukt uit. Hij ging dadelijk naar het woonhuis, en Moeder Stina begreep, dat hij de zaak van Ingmar bij Karin en Halfvor bepleiten zou.

Iets later kwam de opzichter van Bergsana, de gemachtigde van de vennootschap van de zagerij, en de rechter Berger Sven Person.

De inspecteur ging dadelijk in het huis, maar Sven Person liep wat rond op de hoeve en bekeek alles. Hij kwam toen voorbij een kleinen, ouden man met een grooten baard, die op denzelfden hoop hout zat, waarop Moeder Stina had plaats genomen.

„Sterke Ingmar weet je ook of Ingmar Ingmarsen het hout wil koopen, dat ik hem had aangeboden?" vroeg hij, en bleef voor den grijsaard stilstaan.

„Hij zegt van neen," antwoordde de oude, „maar ik denk wel, dat hij er nog over denken zal."

Op 't zelfde oogenblik knipte de oude met de oogen en wees op Moeder Stina, om Sven Person te beduiden, dat zij niet hooren mocht, waar ze over praatten.

„Ik dacht, dat het goed genoeg voor hem was," zei de rechter; „ik bied zulke waar niet alle dagen aan, maar dit doe ik ter wille van Groote Ingmar."

„Ja, 't is waar, 't is een goed aanbod," zei de oude, „maar hij zegt, dat hij al ergens anders gekocht heeft."

„Ik zou wel eens willen weten, of hij goed begrijpt, wat hij misloopt," zei de rechter en ging langzaam voort.

Tot nu toe had niemand van de bewoners zich vertoond op de hoeve; maar nu kregen de menschen plotseling Ingmar in het oog. Hij stond ergens tegen een muur geleund, onbeweeglijk en met de oogen bijna gesloten.

Velen gingen naar hem toe om hem te begroeten, maar als ze dichterbij kwamen, keerden zij terug naar hun plaatsen.

Ingmar was doodsbleek, en allen die hem zagen, begrepen, dat hij worstelde met een zóó groot lijden, dat niemand het waagde hem aan te spreken.

Ingmar stond zóó stil, dat er velen waren, die hem niet opmerkten. Maar ieder, die hem in 't oog gekregen had, kon daarna aan niets anders denken.

Er was niets te bespeuren van de vroolijkheid, die anders op verkoopingen gebruikelijk was; terwijl Ingmar daar stond tegen den muur van zijn oud tehuis geleund, dat hij spoedig zou moeten missen, had niemand moed om te lachen of een vroolijk woord te spreken.

Toen kwam het oogenblik dat de verkooping beginnen zou. De verkooper klom op een stoel en begon een ouden ploeg af

151

Sluiten