Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedekte tafel.

De deur van de kleine kamer was dicht. Daar werden onderhandelingen gevoerd over den verkoop van de hoeve. Men sprak er druk en luid, vooral de predikant.

Maar in de groote kamer was ieder stil, en als iemand sprak, was 't zacht en fluisterend. Allen waren met hart en ziel in de kleine kamer, waar over 't lot van de hoeve beslist werd.

Moeder Stina wendde zich tot Gabriël Mattson en vroeg hem : ,,'t Is zeker niet zoo te schikken, dat Ingmar op de hoeve blijft?"

„Ze zijn nu al boven zijn bod," antwoordde Gabriël. „De herbergier van Karmsund heeft tweeëndertig duizend geboden en de vennootschap is op vijfendertig gekomen. Nu tracht de predikant ze over te halen liever aan den herbergier, dan aan de vennootschap te verkoopen."

„Is Berger Sven Person daar ook?" vroeg Moeder Stina, „hy moet vandaag niet geboden hebben."

Den predikant hoorde men met bewogen stem spreken. De woorden waren niet te onderscheiden, maar zoolang hij sprak was er nog niet beslist, dat wist men.

Toen werd het een oogenblik stil, en daarop hoorde men den herbergier zeggen, juist niet hardop, maar met zooveel nadruk, dat het onmogelijk was niet elk woord te hooren:

„Ik bied dertig duizend, niet omdat ik geloof, dat de hoeve zooveel waard is; maar omdat ik niet wil, dat ze in handen van een vennootschap vallen zal."

Onmiddellijk daarop was het, alsof iemand met de vuist op tafel sloeg, en de gemachtigde van de vennootschap riep met een donderende stem: „Ik bied veertigduizend en ik geloof niet, dat Karin en Halfvor een beter bod kunnen verwachten."

Moeder Stina was heel bleek geworden. Ze stond op en ging weer naar buiten. Daar was het akelig en treurig, maar 't was vreeselijk in de benauwde kamer te zitten en naar dat loven en bieden te luisteren.

De geweven stukken waren nu verkocht, en de verkooper ging weer naar een andere plaats. Hij ging nu de oude zilveren kannen opzoeken, met gouden munten bezet, en de bekers, met opschriften van 't jaar 1600.

Toen de verkooper de eerste zilveren kan ophief, deed Ingmar een paar stappen vooruit als om dat te beletten. Maar hij bedwong zich oogenblikkelijk en keerde weer naar zijn plaats terug;

Een paar minuten later kwam een oude boer naar Ingmar toe, met de zilveren kan in zijn hand. Hij zette die heel voorzichtig neer voor Ingmars voeten en zei: „Deze hier moet je bewaren, als een herinnering aan al wat jij hadt moeten hebben." Een schok ging Ingmar door 't geheele lichaam, zyn lippen

154

Sluiten