Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trilden, en hij worstelde om een paar woorden te kunnen zeggen.

„Ja, je hoeft nu niets te zeggen, dat kan je later wel eens doen," zei de boer. Hij ging heen, maar kwam kort daarop snel weer terug:

„Ik hoor de menschen er over praten, dat je de hoeve krijgen kon, als je maar wilde, 't Zou een groote dienst zijn, dien je daardoor de gemeente bewijzen kon."

Op Ingmarshoeve waren allerlei oude menschen, die daar hun heele leven gediend hadden, en er nu in hun hoogen ouderdom bleven wonen. Over die menschen was een groote angst gekomen. Zij vreesden, dat ze, als de hoeve een nieuwen eigenaar kreeg, uit hun huis verdreven zouden worden, en den bedelstaf zouden moeten opnemen. Hoe het ook ging, dit wisten ze, dat ze niet zoo zouden worden behandeld als door de oude bewoners van de hoeve.

De ouden dwaalden den heelen dag rond om 't huis; ze waren te onrustig om zich stil te houden. Met groote deernis zag men ze voorbij sluipen, gebrekkig en angstig, met een gespannen uitdrukking in hun zwakke, roode oogen.

Eindelijk was er een bijna honderdjarige grijsaard, die op 't idee kwam naar Ingmar toe te gaan, en naast hem op den grond te gaan zitten. Dat scheen hem de eenige plaats toe, waar hij rust kon vinden, want daar bleef hij zitten, met zijn oude, bevende handen op zijn kruk leunend.

Zoodra oude Lisa en Marta uit de schuur zagen, waar Korp Brengt was gebleven, kwamen ze aanstrompelen en gingen bij Ingmar zitten. Zij zeiden niets tegen hem, maar ze hadden zeker een duister gevoel, dat de eenige die hen helpen kon, Ingmar Ingmarsen was.

Sinds de ouden waren gekomen, hield Ingmar de oogen niet meer gesloten, maar stond op hen neer te zien. 't Was alsof hij al de jaren en de moeite optelde, die ze hadden doorgemaakt, terwijl ze zijn familie gediend hadden, en hij vond zeker, dat het zijn eerste plicht was te zorgen, dat zij in hun oude huis mochten sterven.

Hij zag uit over de hoeve, kreeg Sterke Ingmar in 't oog en knikte hem beteekenisvol toe.

Sterke Ingmar ging zonder een woord te spreken het huis in, liep door de groote kamer, en ging in de kleine kamer. Daar bleef hij bij de deur staan en wachtte op een gelegenheid om zrjn boodschap over te brengen.

Toen Sterke Ingmar binnenkwam, stond de predikant midden in de kamer, en sprak tot Halfvor en Karin, die onbeweeglijk en stijf zaten, alsof ze dood waren.

De gemachtigde van de vennootschap zat aan de tafel; hij scheen

155

Sluiten