Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier deze oude plaats een vervallen vennootschapshoeve wordt, moesten ze een prijs noemen, den hoogsten prijs, zoodat de boeren weten, waar zij zich aan te houden hebben."

Halfvor keek Karin onrustig aan, toen de predikant dit voorstel deed. Karin hief langzaam de oogleden op en antwoordde:

„Dit is zeker, dat Halfvor en ik liefst de hoeve aan een van onsgelijken verkoopen wilden, zoodat we wisten, dat hier alles zou blijven, zooals 't tot nu toe geweest is."

„Ja, als iemand anders dan de vennootschap veertig duizend kronen geven wil, zullen wij met die som tevreden zijn," zei Halfvor, die nu begreep wat zijn vrouw wenschte.

Toen dit gezegd werd, stapte sterke Ingmar met groote schreden door de kamer, en fluisterde Berger Sven Person iets in.

De rechter stond dadelijk op en ging naar Halfvor.

„Nu Halfvor beloofd heeft met veertig duizend tevreden te zijn, wil ik die som bieden," zei hij.

Halfvors gezicht kwam in beweging. Hij slikte een paar malen eer hij antwoordde. „Ik dank mijnheer den rechter zeer," zei hij. „Ik ben blij de hoeve in zulke goede handen achter te laten."

Sven Person schudde ook Karin de hand. Zij was zeer bewogen en droogde een traan af.

„Karin kan er zeker van zijn, dat hier alles bij het oude zal blijven," zei de rechter.

Karin vroeg, of hijzelf daar zou komen wonen.

„Neen," antwoordde hij en ging voort, met plechtigen nadruk op elk woord: „van den zomer trouwt mijn jongste dochter en ik geef de hoeve aan haar en haar man."

Toen wendde de rechter zich tot den predikant en dankte hem.

„Nu zal mijnheer de predikant in elk opzicht zijn zin krijgen," zei hij. „Ik dacht niet, toen ik hier rondliep als arme herdersjongen, dat ik nog eens macht zou hebben om te zorgen, dat er weer een Ingmar Ingmarsen op de Ingmarsenshoeve kwam."

De predikant en de andere mannen stonden hem aan te staren, zonder dadelijk te begrijpen wat hij meende. Maar Karin ging haastig de kamer uit.

Toen zij door de groote kamer ging, richtte zij zich fier op; ze knoopte den hoofddoek zoo, dat die in de rechte plooien lag en spreidde haar schort uit. Toen ging Karin over de hoeve met groote waardigheid en plechtigheid. Ze hield zich recht, de oogen neergeslagen, en liep zoo langzaam, dat men nauwelijks kon zien, dat ze zich bewoog. Zoo kwam ze naar Ingmar toe en nam zijn hand. , t^'

„Nu wensch ik je hartelijk geluk, Ingmar," zei ze, en haar stem beefde van vreugde. „Wij hebben hard tegenover elkaar gestaan in deze zaak, maar daar God mij 't groote geluk niet

157

Sluiten