Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GERTRUD.

Er was iets vreemds over Gertrud gekomen, iets waar ze geen macht over had en waar zij niets aan doen kon; iets wat erger werd en haar eindelijk volkomen beheerschte.

't Was begonnen op 't zelfde oogenblik, dat ze hoorde, dat Ingmar haar ontrouw geworden was, en 't bestond in een groote vrees hem plotseling op den weg, in de kerk of ergens anders te ontmoeten. Waarom dat zoo vreeselijk wezen zou, wist ze niet; maar ze voelde, dat het iets was, wat ze niet zou kunnen verdragen.

Gertrud zou zich liefst dag en nacht hebben opgesloten, om zeker te zijn hem niet te zien, maar zoo iets was onmogelijk voor een arm meisje, zooals zij was. Ze moest naar buiten en. in den tuin werken, ze was genoodzaakt meer dan eens per dag den langen weg naar de wei te gaan om de koeien te melken, en ze |werd vaak naar den winkel gezonden, om suiker en meel en allerlei andere dingen voor het huishouden te koopen.

Als Gertrud op den weg kwam, trok ze haar hoofddoek diep over het gezicht, hief ze nooit de oogen van den grond op, en liep ze zoo hard, alsof ze door spoken vervolgd werd. Zoo gauw 't maar even mogelijk was, week ze van den grooten weg af, en liep op smalle paadjes, langs slootkanten en greppels, waar ze geloofde niet zooveel gevaar te loopen Ingmar te ontmoeten.

Maar altijd was ze bang. Er was immers geen plaats waar ze geen kans liep hem te zien. Als ze op de beek roeide, kon hij daar zijn met zijn houtvlotten, en als ze diep het bosch insloop, kon hij haar tegemoet komen, met den bijl op den schouder op weg naar zijn werk.

En als ze hem zag, dan zou 't vreeselijk moeielijk worden. Dat kon ze niet verdragen.

Als ze in den tuin aan 't wieden van de bedden was, lichtte ze telkens 't hoofd op, om hem toch uit de verte te zien, als hij soms voorbij kwam, en bijtijds weg te kunnen loopen.

159

Sluiten