Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•weer te ontmoeten, en was blij, dat ze haar niet zag.

Maar toen ze daar liep, kwam het haar voor, dat het veld tusschen een paar struiken vlak voor haar in beweging was. Eerst stak er een hoofd uit de opening, toen werkte zich een heel klein mannetje uit den grond op. Hij gonsde en bromde aldoor met de lippen, en daaruit kon ze begrijpen wie hu' was. 't Was immers Gons-Peter, die niet goed wijs was. Soms woonde hij in 't dorp, maar 's zomers leefde hij liefst in 't bosch in een kuil in den grond.

Gertrud herinnerde zich opeens, dat men van Gons-Peter zei, dat wie zijn vijanden ongemerkt schaden wou, zich van hem bedienen kon. Men mompelde, dat hij meer dan eens moord en brandstichting begaan had voor anderen.

Nu ging Gertrud naar den man toe en vroeg hem, bij wijze van scherts, of hij geen lust had Ingmarshoeve in brand te steken. Zij zou het graag willen, zei ze, omdat Ingmar Ingmarsen meer van de hoeve hield dan van haar.

Maar tot haar grooten schrik scheen de oude man dadelijk op haar voorstel in te gaan. Hij knikte levendig en liep hard naar het dorp. Ze haastte zich achter hem aan, maar kon hem niet inhalen. Dennetakken hielden haar vast, ze zonk in de modder en gleed uit op de helling. Eindelijk kwam ze aan den zoom van 't bosch, maar daar scheen de vuurgloed al door de boomen.

„Hij heeft het al gedaan, hij heeft de hoeve al in brand gestoken," dacht zij, en werd opnieuw wakker uit dien akeligen, griezeligen droom.

Gertrud ging overeind zitten in 't bed. De tranen stroomden haar over de wangen. Ze durfde niet weer te gaan liggen uit angst verder te droomen.

„God helpe mij, God helpe mij," zei ze. „Ik weet niet hoeveel slechts er in mij zit. Maar God weet, dat ik in al dezen tijd niet één keer er aan gedacht heb mij op Ingmar te willen wreken. O God, laat die zonde niet over mij komen."

„Verdriet is gevaarlijk," barstte ze uit en wrong de handen. „Verdriet is gevaarlijk — gevaarlijk!"

Zeker wist ze zelf niet precies wat ze meende, maar ze had een gevoel, alsof haar arm hart als een verwaarloosde tuin was. En nu ging daar 't verdriet rond en plantte er distels en vergiftige kruiden.

Heel den morgen was Gertrud in een droom. Ze was niet heelemaal wakker. De droom was zoo sterk en levendig geweest, dat ze dien niet kon vergeten.

Als ze aan het genoegen dacht, waarmee ze de naald in Ingmars oogen gestoken had, dacht zij: ,,'t Is toch verschrikkelijk zoo slecht en wraakgierig als ik geworden ben. Ik weet niet wat

162

Sluiten