Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik doen moet om daar van af te komen. Ik word nog een slecht, verloren mensch."

Tegen den middag nam Gertrud den melkemmer aan den arm en ging uit om te melken. Ze schoof als gewoonlijk den hoofddoek ver naar voren en zag niet op. Ze liep op de smalle paadjes, zooals ze in den droom gedaan had, ze herkende de bloemen, die ze omzoomden. En zoo wonderlijk half wakker als ze was, voelde ze nauwelijks het verschil tusschen wat ze werkelijk zag en wat ze zich inbeeldde te zien.

Toen Gertrud het weilandje bereikt had, kwam haar droom weer terug; — want zij zag de koeien niet. Zij liep rond om ze te zoeken, zooals ze in haar droom gedaan had, ze zocht aan de beek, onder de berken en achter het dennenbosch je. Ze vond ze nergens, maar had een gevoel, dat ze er waren en dat zij ze zien zou, als ze maar goed wakker was.

Eindelijk zag ze een groot gat in de haag en begreep, dat het vee daar doorgebroken was.

Gertrud ging nu verder om de vluchtelingen te zoeken. Ze volgde de diepe sporen, die hun hoeven in den lossen boschgrond gezet hadden en vond, dat ze een weg ingeslagen hadden, die naar een afgelegen boschhut leidde.

„Och," riep ze uit, „nu weet ik waar ze zijn. Ik weet, dat 't volk van Luckhoeve vanmorgen hun vee naar de berghut drijven zou. Toen onze koeien de bellen van de kudde hoorden, zijn ze losgebroken en de andere dieren nageloopen 't bosch in."

De onrust had het meisje een oogenblik helder wakker gemaakt. Ze besloot naar de berghut te gaan en de koeien te halen. Anders kon ze immers niet weten, wanneer ze weer terug zouden komen. En ze ging snel voort op den steilen, steenachtigen weg, maar toen ze een poosje rechtuit geloopen had, maakte de weg een scherpe bocht, en lag nu recht en glad van dennenaalden voor haar. Ze herkende het uit haar droom. Daar waren dezelfde zonneplekken op het witgele mos en dezelfde hooge boomen.

Toen zij den weg herkende, verzonk ze dadelijk weer in denzelfde half wakenden toestand, waarin zij den geheelen dag geleefd had. Ze begon bijna te wachten op iets bovennatuurlijks dat er gebeuren zou. Ze keek onder de dennen, of er hier of daar niet een van die geheimzinnige wezens was, die in 't donkere bosch ronddwalen.

Ze zag niets, maar in haar ziel werden wonderlijke gedachten wakker. „Als ik nu eens wraak op Ingmar nam? Zou de angst dan misschien weggaan, zou ik dan misschien niet gek worden? Zou het prettig zijn Ingmar te laten lijden, wat ik geleden heb?"

Het mooie pad scheen haar eindeloos lang. Ze liep daar een heel uur, verwonderd dat haar niets ongewoons gebeurde. Ein-

163

Sluiten