Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijk liep het pad uit op een vlakte in 't bosch.

't Was een mooi plekje, begroeid met frisch, sappig gras én een massa bloemen. Aan de eene zij verhief zich een steile bergwand. Aan de andere stonden hooge boomen, meest lijsterbessen met groote, witte bloemtrossen, maar ook berken en elzen. Een breede beek met veel water kwam uit den bergwand stroomen, brak zich baan over de vlakte en wierp zich daarop in een kloof, die geheel gevuld was met welig opschietende boomen en struiken.

Gertrud bleef staan. Opeens herkende zij de plaats. De beek heette het Zwarte Water, en men vertelde er zonderlinge dingen van. 't Was meer dan eens gebeurd, dat menschen wonderlijk „ziende" werden, op 't oogenblik, dat zij over de beek gingen. Een jongen, die er over gegaan was, had een bruidsstoet gezien, die juist naar de kerk trok, beneden in 't dorp, en een kolenbrander had een koning gezien, die met zijn kroon op 't hoofd en den scepter in de hand naar zijn woning reed.

Gertrud voelde haar hart kloppen tot boven in den hals. „God beware me, wat zal ik zien?" zuchtte zij.

Ze kwam bijna in verzoeking terug te keeren.

„Maar ik moet dien kant uit," klaagde zij. „Ik moet immer» dien kant uit om mijn koeien terug te krijgen."

„Ach Heer!" bad zij en vouwde de handen in haar angst, „laat mij niets leelijks of slechts zien. Leid mij niet in zware verzoeking."

Ze was er zoo zeker van ,dat ze iets zien zou, dat ze nauwlijks over de platte steenen durfde loopen, die over de beek leidden.

Toen ze midden in de beek stond, zag ze aan de overzij in de diepte van 't bósch iets bewegen. Maar het was geen bruiloftsstoet, maar een eenzaam man, die langzaam de vlakte opliep. Hij was lang en jong, en droeg een versleten zwart kleed. Hij had een lang, bizonder mooi gezicht, 't hoofd was onbedekt en lange, donkere lokken hingen tot op de schouders.

De vreemde man kwam recht op Gertrud af. Zijn oogen waren licht, en straalden, alsof er licht van uitging, en toen hij haar aanzag, begreep zij, dat hij al haar verdriet wist. En zij zag, hoe hij medelijden had met haar, die door angst voor kleine aardsche zaken bezocht werd, en wier ziel besmet was door wraakzucht, en met distels en giftige kruiden van de smart bezaaid.

Hoe meer hij Gertrud naderde, des te meer werd haar geheele wezen overstroomd met steeds toenemenden vrede en zaligheid, en stille, zonnige rust. En toen hij haar voorbij was gegaan, was er geen smart of bitterheid meer in haar, maar alle boosheid verdween als een ziekte, die genezen is en liet gezondheid en kracht achter. Gertrud stond daar lang stil. 't Gezicht ging voorbij, maar zij bleef staan als in een droom van zaligheid. Toen ze

164

Sluiten