Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keerd ze handelt?" vroeg hij zich af. Hij wilde 't haar zeggen, maar hij bedwong zich.

„Dat past je niet, Ingmar, om Gertrud iets te verwijten, wat ze ook doet," dacht hij.

„Ik weet wel, dat het hard voor Vader en Moeder is," ging Gertrud voort. „Maar nu mag ik Jezus volgen." Zij glimlachte terwijl ze den naam van den Verlosser noemde. „Hij heeft mij immers van boosheid en zielsziekte gered," zei ze innig en vouwde de handen.

En alsof ze er nu eerst den moed toe had, schoof ze den hoofddoek achteruit en zag Ingmar vlak in de oogen. Het trof hem, dat ze hem met het beeld vergeleek van iemand, dien ze voor haar oogen zag, en hij voelde zelf hoe gering en onbeduidend ze hem vond.

,,'t Is wel hard voor Vader en Moeder," herhaalde Gertrud. „Vader is nu zoo oud, dat hij zijn werk moet neerleggen, en nu heeft hij nog minder om van te leven dan tot nu toe. En als hij zonder werk is, wordt hij knorrig. Moeder zal 't niet gemakkelijk met hem hebben. Ze zullen allebei verdriet hebben, 't Was natuurlijk anders geworden, als ik thuis gebleven was en ze opgevroolijkt had."

Gertrud zweeg, alsof ze aarzelde uit te spreken, maar Ingmar had een gevoel alsof er iets in hem begon te schreien en te snikken. — Hij begreep, dat Gertrud hem wilde vragen voor haar ouders te zorgen. „Neen! ik meende, dat ze kwam om mij te beschimpen en te hoonen," dacht hij, „en nu stelt ze zulk een groot vertrouwen in me."

„Je hoeft het me niet te vragen, Gertrud," zei Ingmar. „Dit is een groote eer, die je mij bewijst. En ik, die je verlaten heb. Ik zal wel beter voor je ouders zijn, dan ik voor jou geweest ben."

Ingmars stem beefde, en op 't zelfde oogenblik was 't, alsof er iets van die groote voorzichtigheid en wijsheid uit zijn gezicht wegging.

„Wat is Gertrud toch goed voor me," dacht hij. „Ze vraagt mij dit niet alleen ter wille van haar ouders, maar ook om mij te toonen, dat ze mij vergeeft."

„Ja, dat wist ik, Ingmar, dat je daar geen „neen" op zeggen zoudt," zei Gertrud. „En nu moet ik nog over wat anders spreken." Haar stem werd veel helderder en vroolijker. „Nu heb ik wat heel bizonders cadeau voor je."

„Wat spreekt Gertrud toch mooi," dacht Ingmar opeens, terwijl hij daar zat. „Ik geloof niet, dat ik ooit iemand met zulk een vriendelijke vroolijke heldere stem heb hooren spreken."

„Ik ging voor acht dagen van huis," zei Gertrud, „en was van plan dadelijk naar Gotaborg te gaan om daar te zijn, als de Hell-

168

Sluiten