Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gumianen kwamen. Maar den eersten nacht bleef ik in BergsAna, bij een arme smidsweduwe, die Maria Bouving heet. Dat is een naam, dien je moet onthouden, Ingmar. En als ze in nood komt, moet je haar helpen."

„Wat is Gertrud mooi," dacht Ingmar, terwijl hij knikte en beloofde Maria Bouving's naam te onthouden. „Wat is Gertrud mooi! Hoe zal 't toch wezen, als ik haar niet meer zie. God helpe mij als ik verkeerd gedaan heb, door haar op te geven voor een oude hoeve. Akkers en bosschen kunnen toch niet hetzelfde voor me zijn als een mensch. Ze kunnen niet met me lachen, als ik vroolijk ben, of me troosten, als ik bedroefd ben. Er is niets in de wereld wat je een mensch kan vergoeden, die je liefheeft."

„Maria Bouving," ging Gertrud voort, „heeft een klein kamertje achter haar keuken, waar ze mij liet slapen."

„Nu zul je eens zien hoe lekker je slaapt vannacht," zei ze tegen me, „je zult op beddegoed slapen, dat ik op de verkooping op Ingmarshoeve gekocht heb."

„Zoodra ik ging liggen, voelde ik een vreemden, harden prop in t kussen, dat onder mijn hoofd lag. ,,'t Is geen bizonder goed beddegoed, wat Marie gekocht heeft," dacht ik.

Maar ik was zoo moe na een heelen dag loopen, dat ik insliep. Midden in den nacht werd ik wakker, en keerde mijn kussen om, om van dien prop af te komen.

Toen voelde ik, dat het overtrek midden door gescheurd was, en met groote steken slecht dichtgenaaid. Binnenin zat iets hards, dat kraakte als papier. „Ik hoef toch niet op steenen te slapen," dacht ik, en probeerde het harde er uit te halen. Zoo kreeg ik eindelijk een pak in de hand, dat goed ingepakt en gesloten was."

Gertrud hield een oogenblik op om te zien, of Ingmar ook nieuwsgierig was. Maar Ingmar had niet heel goed .geluisterd. „Wat mooi is 't toch, Gertrud haar hand te zien bewegen onder 't praten,"dacht hij. „Ik geloof niet, dat ik ooit iemand zoo vlug m haar bewegingen gezien heb of zoo licht heb zien loopen als Gertrud. Ja, 't is een oud spreekwoord, dat menschen boven alles menschen liefhebben. Maar toch geloof ik nog, dat ik goed gehandeld heb, want 't was niet alleen de hoeve, maar de heele gemeente, die me noodig had."

Maar hij voelde met grooten angst, dat hij nu niet zoo gemakkelijk als een uur geleden zich overtuigen kon, dat hij meer van de hoeve dan van Gertrud hield.

„Ik legde het pak naast het bed," ging Gertrud voort, „en dacht er aan het den volgenden morgen aan Marie te laten zien. Maar toen het dag werd, zag ik, dat je naam op het omslag stond. Toen bekeek ik het nauwkeuriger en besloot het mee te nemen en te geven, zonder er met Marie of iemand anders over te spre-

169

Sluiten