Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFREIS.

Op een mooien Julimorgen ging een lange optocht karren en lastwagens weg van Ingmarshoeve. Dat waren de reizigers, die naar Jeruzalem vertrokken en eindelijk hun voorbereidselen klaar hadden. Nu begonnen ze de reis met den langen tocht naar het station van de spoor.

Toen de lange optocht door het dorp trok, kwam die ook voorbij een armoedig huisje „Muckelsmura" genoemd.

Daar woonden slechte menschen, zulk uitschot, dat aan 't werk gaat, als onze lieve Heer de oogen afwendt, of ergens anders bezig is.

Daar waren een menigte vuile en in lompen gekleede kinderen, die den heelen dag allerlei scheldwoorden toeriepen aan wie er voorbijkwam; daar was een oude vrouw, die gewoonlijk dronken aan den kant van den weg zat, en er waren een man en een vrouw, die altijd kibbelden en vochten.

Niemand had ze ooit zien werken, men wist niet wat ze 't meest deden: bedelen of stelen.

Toen nu de optocht voorbij deze ellendige, armoedige hut trok, die zóó was als een plaats wordt, wanneer weer en wind vele jaren lang er ongestoord huisgehouden hebben, stond de oude vrouw flink en rechtop aan den kant van den weg, op dezelfde plaats, waar ze anders dronken zat te bazelen en heen en weer te wiegen, en vier van de kinderen stonden om haar heen. En alle vijf waren ze schoon gewasschen en gekamd, en zoo ordentelijk gekleed, als 't hun mogelijk was.

Toen zij, die in den eersten wagen kwamen aanrijden, ze in 't oog kregen, hielden ze de paarden in en reden heel langzaam voorbij, dat de paarden netjes en gelijkmatig voortgingen.

En allen die heengingen, begonnen opeens heftig te schreien, de volwassenen schreiden zacht en snikten, maar de kinderen schreeuwden en jammerden luid.

175

Sluiten