Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Later konden de reizigers naar Jeruzalem zich niet begrijpen ■waarom ze 't meest schreiden over Bedel-Lina, die daar armoedig en gebrekkig aan den weg gestaan had. Ze kunnen nog schreien, als zij er over spreken, dat ze dien dag haar borrel had laten staan en daar nuchter stond, met haar kinderen gewasschen en gekamd, om hun eer te bewijzen bij hun vertrek.

Toen de lange rij karren en lastwagens de halve gemeente doorgereden waren, kwamen ze aan de lange schipbrug, die over de beek ligt te schommelen.

't Is een moeilijke brug om over te rijden. Eerst een sterke helling om bij 't water te komen, dan naar boven met een paar snelle stijgingen, opdat booten en houtvlotten er onderdoor kunnen glijden, en aan den overkant stijgt zij naar den oeverkant, zoo snel en steil, dat paarden en menschen beven, als ze er aan denken daarop te moeten. De brug daar bezorgt den menschen heel wat moeite. De planken verrotten en moeten onophoudelijk gemaakt. Als 't ijs kruit, moet zij dag en nacht bewaakt worden, opdat ze niet stukgeslagen zal worden, en als 't water in de lente heel hoog is, rukt het vaak groote stukken van de brug mee en sleept ze heel tot de watervallen van Bergsana.

Maar de menschen in de gemeente zijn trotsch op de brug, en blij, dat ze die hebben. Denk eens aan: als die er eens niet was, moest men immers een veerboot hebben, iederen keer als men naar de overzij wilde. De brug zuchtte en kraakte, toen de reizigers naar Jeruzalem er over trokken, en 't water werd omhoog geperst door de planken, en maakte de pooten der paarden nat.

Den vertrekkenden deed het zeer van die dierbare brug te scheiden. Zij dachten er aan, dat die hun allen toebehoorde. Huizen, akkers, hoeven en bosschen waren ongelijk verdeeld; maar de brug was aller eigendom, en 't was een gemis voor allen, die achter te laten.

Maar ze hadden ze dan niet meer, wat gemeenschappelijk eigendom was? Hadden ze niet de kerk, die onder de berken aan den anderen kant van de brug lag? Hadden ze niet het mooie, witte schoolgebouw en de pastorie?

En wat hadden ze al niet meer, dat allen toebehoorde? Zeker ook de schoonheid van alles, wat ze van de brug af zien konden.

Het mooie uitzicht over de breede, prachtige beek, die stil voortkabbelde in 't zomeravondlicht onder de boomengroepen, het verre uitzicht door 't dal, heel naar de blauwe heuvelen.

Dat alles was 't hunne, 't Was als in hun oogen gebrand. En nu zouden ze het nooit weerzien.

176

Sluiten