Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Kistje was wit verlakt met een geschilderd bloemkransje er

omheen. In het deksel was een plaatje van een herder, die voor een troepje witte lammeren op zijn fluit speelde. Gunhild deed het deksel open om den herder nog eens te zien.

In het kistje had haar moeder vroeger 't beste en liefste bewaard wat ze had. Daar had ze haar moeders trouwring geborgen, haar vaders oud horloge en haar eigen gouden oorbellen.

Maar toen Gunhild het opendeed, zag zij, dat dit alles was weggenomen, en dat er in plaats daarvan niets dan een brief lag.

't Was een hrief van haarzelf. Ze had voor een paar jaar een reis naar Mora gemaakt en was in een boot over 't meer Siljan gegaan. De boot was gekanteld. Verscheidene van haar kameraden hadden 't leven daarbij verloren en haar ouders hadden gehoord, dat Gunhild ook omgekomen was. Gunhild begreep, dat haar moeder zoo blij geweest was, toen ze den brief kreeg, dat haar dochter nog leefde, dat ze alles uit haar kistje genomen had en er den brief in had gelegd als haar grootsten schat.

Gunhild werd doodsbleek, 't Hart werd haar als toegesnoerd.

„Nu weet ik, dat ik Moeder vermoord," dacht ze. Ze dacht er niet meer aan iets te schrijven, maar vluchtte weg. Ze kwam buiten en ging weer op den wagen zitten zonder op alle vragen, of ze haar ouders gezien had, te antwoorden. Den geheelen weg over zat ze onbeweeglijk, met de handen in haar schoot en staarde voor zich uit.

„Ik vermoord Moeder," dacht ze. „Ik weet, dat ik Moeder vermoord. Ik weet, dat Moeder sterft. Voor mij is geen geluk meer," dacht ze. „Wel mag ik naar het heilige land reizen, maar ik vermoord myn eigen moeder."

Toen de lange rij karren en vrachtwagens eindelijk door de kerkbuurt in het dal gekomen was, kwamen ze in een bosch je.

Hier merkten de reizigers naar Jeruzalem voor 't eerst, dat ze vergezeld werden door een paar personen, die ze niet kenden.

Zoolang ze in het dorp geweest waren, hadden zij 't zoo druk gehad met afscheid nemen en groeten meegeven, dat ze geen tijd gehad hadden de vreemde kar op te merken, maar in 't bosch begonnen ze er allen op te letten.

Nu eens reed ze alle andere karren voorbij tot vooraan in de rij, dan weer reed ze langzaam en liet al de andere voorbijrijden. De kar was niet anders dan een gewone boeren kar, zoo een als dagelijks bij 't werk gebruikt wordt. Maar juist daarom was 't onmogelijk te zien aan wien zij hoorde. Niemand kende 't paard.

Dat werd gemend door een ouden man, die heel krom zat, ge-

180

Sluiten