Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een groot, paleis-achtig huis, dat verlaten en eenzaam gelegen was. Er had dus zuivere, frissche lucht moeten zijn, maar dezen nacht scheen 't haar toe, dat alle benauwheid uit de stad om haar huis was samengetrokken. Wel was er een beetje wind, maar die kwam uit de woestijn, en was heet en scherp, alsof die vol onzichtbaar stof was. En bovendien had een troep straathonden een strooptocht ondernomen buiten de stadsmuren, en vulde de lucht met een jammerlijk, hardnekkig blaffen.

Toen ze nu verscheiden uren wakker gelegen had, werd de Amerikaansche aangegrepen door een diepe moedeloosheeid. Ze beproefde er aan te denken, dat sinds zij naar Jeruzalem gekomen was, tengevolge van een goddelijke openbaring, alles haar gelukt was. Zij had een vereeniging gesticht en allerlei tegenwerking en zwarigheden overwonnen. Maar niets kon haar rust geven. Haar angst nam elk oogenblik toe.

Ze lag daar en verbeeldde zich, dat zij en haar getrouwen vermoord zouden worden, dat haar vijanden 't huis in brand zouden steken, nadat ze de uitgangen afgesloten hadden. Ze meende, dat de stad Jeruzalem al haar dwepers op haar zou afzenden, en haar overvallen met alle haat en vernielzucht, die in haar muren te vinden was.

Zij trachtte haar gewoon blijmoedig vertrouwen te herwinnen. Waarom zou ze nu wanhopen, juist nu haar zaak zoo goed vooruitging, nu de Gordonsche kolonie versterkt geworden was met ongeveer vijftig flinke Zweedsche boeren, die uit Amerika overgekomen waren, en nu nog meer zulke goede, vertrouwbare menschen uit Zweden werden verwacht? In werkelijkheid had haar onderneming nog nooit zóó goed gestaan als juist nu.

Om den angst te smoren stond zij eindelijk op, sloeg een langen, witte mantel om zich heen en ging uit. Ze opende een kleine achterdeur en ging voort in de richting naar Jeruzalem; maar spoedig verliet zij den weg en besteeg een kleinen, steilen heuvel. Van den top kon ze in den helderen maneschijn de stad zien, met haar getakte muren en haar ontelbare groote en kleine koepels, die zich tegen den nachthemel afteekenden.

Hoewel ze daar stond te worstelen met onrust en angst, merkte ze toch de plechtige schoonheid van den nacht op. De groenwitte maneschijn van Palestina stroomde over alles heen en gaf het een stempel van wondere geheimzinnigheid. Opeens kwam de gedachte in haar op, dat, zooals in oude kasteelen kamers waren, waar spoken huisden, het wel zijn kon, dat deze oude stad te midden van haar eenzame heuvels, de spokenkamer was van de oude aarde, waar men de grootheid van 't verleden kon zien neerdalen van de heuvels, en de dooden uit de oudheid rondsluipen in 't nachtelijk duister.

189

Sluiten