Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geld bij zich gedragen had.

In Augustus was Bo eindelijk klaar met den oven, en nu wilde hij weg met de eerste boot. *

Op een dag zette hij zich neer op een eenzame plek buiten Jeruzalem, tornde den gordel los, en nam het geld er uit. Daar zat hij met de kleine goudstukken in de hand en voelde zich als een misdadiger.

„Och Heere God! vergeef me," barstte hij uit. „Ik wist immers niet, dat Gertrud vrij worden zou, toen ik hier bij deze menschen kwam. Voor niets anders ter wereld zou ik de kolonie verlaten hebben." ..

Toen Bo weer naar de stad terugging, sloop hu met onzekeren stap voort, en had een gevoel, dat er iemand achter hem liep, die op hem loerde. Toen hij een paar van de gouden munten op de wisseltafel in de Davidsstraat neerlegde, zag hij er zóó uit, dat de Armeniër, die zijn goud woog, dacht, dat hij een dief was, en hem minstens voor de helft van de som bedroog.

Den volgenden dag sloop Bo vroeg in den morgen van de kolonie weg. Hij ging naar het oosten in de richting van den Olijfberg,, opdat niemand argwaan krijgen zou, en nam een grooten omweg om naar 't station te komen.

Hij kwam toch een uur te vroeg en leed ontzettend onder t wachten. Hij beefde voor ieder, die kwam en ging. Hij zocht zich vergeefs wijs te maken, dat hij geen kwaad gedaan had, dat hij een vrij man was, en doen mocht waar hij lust in had.

Hij begreep, dat het beter geweest was, als hij eerlijk met de kolonisten gesproken had, en niet stilletjes was weggeloopen. Hij vond het zóó vreeselijk, zoo bang te zijn om gezien en herkend te worden, dat hij bijna teruggekeerd was.

Bo kwam toch in den trein, 't Was overal buitengewoon vol, maar hij zag niemand, dien hij kende. Hij zat aan den brief te denken, dien hij aan Mrs. Gordon en aan Hellgum schrijven zou. Hij stelde zich voor, hoe die na 't morgengebed aan de heele vergadering zou worden voorgelezen, en hij kon zich de verachting voorstellen, die op aller gezicht te zien zou zijn.

„Ik doe zeker iets vreeselijk slechts vandaag," dacht hij, en wérd bang, dat er nu een smet op hem rustte, die hij nooit zou kunnen wegnemen, 't Kwam hem steeds verachtelijker voor, dat hij zoo weggeloopen was. Hij walgde van zichzelf en vond, dat hij 'n ellendeling was. Hij kwam in Jaffa aan en stapte uit den trein. Toen hij over het door de zon verhitte plein voor 't station kwam, zag hij daar een schaar arme Roemeensche pelgrims.

Toen Bo naar hen bleef staan kijken, sprak een Syrische tolk hem aan en zei, dat de pelgrims ziek van de boot gekomen waren, die hen naar Jaffa gebracht had. Ze hadden te voet naar Jeruzalem

208

Sluiten