Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen gaan, maar ze konden niet. Hier bij 't station hadden ze den geheelen dag gelegen. Niemand verzorgde hen; ze hadden geen geld. Ze zouden wel sterven, als ze zoo in de zon moesten liggen.

Bo ging gauw van 't station weg. Hij zag die menschen voor zich, met hun door de koorts verhitte gezichten. Een paar lagen geheel machteloos, en konden niet eens de vliegen wegslaan, die hun over de oogen kropen.

't Was hem duidelijk, dat God die armen op zijn weg gezonden had, opdat hij ze helpen zou. Hij dacht er aan dat geen van de oudere kolonisten zoo'n groep noodlijdenden voorbij zou kunnen gaan, zonder te probeeren hen te helpen. Hij zou ze ook geholpen hebben, als hij geen slecht mensch geworden was.

Hij wilde zijn naaste zekér niet meer dienen, omdat hij geld had en naar huis kon gaan.

Bo ging de stadspoort binnen, dwaalde door een paar straten en kwam aan een pleintje, dat dicht bij 't strand lag. Hier kon hij over de heele haven en over de open zee uitzien. De waterspiegel lag daar glad en blauw.

Alleen wiegde zich een zwakke rimpel om de beide zwarte basaltrotsen, die midden voor den ingang van de haven lagen, 't Was een mooie dag om van Jaffa af te reizen. Buiten op de reede lag een groote Europeesche stoomboot, die de Duitsche vlag voerde. Bo was van plan geweest met een Fransche boot te gaan, die denzelfden dag in Jaffa verwacht werd, maar die zag hij niet. Die was zeker opgehouden. De Duitsche boot was zeker pas kort geleden aangekomen. Een troep roeiers maakten in de grootste haast hun booten in orde om de passagiers af te halen. Zij repten zich om 't hardst, riepen en schreeuwden, en dreigden elkaar met de riemen. Toen roeide een tiental booten te gelijk uit. De sterke, krachtige roeiers stonden op en roeiden staande om beter vaart te zetten. Ze waren eerst wat voorzichtig, maar toen ze voorbij de twee gevaarlijke klippen gekomen waren, begon een scherpe roeiwedstrijd. Bo hoorde hen van 't strand lachen en elkaar met roepen aanhitsen.

Hij kreeg een grenzenlooze lust om dadelijk te gaan. Hij kon immers evengoed met de eene boot als met de andere reizen, 't Was 't zelfde, — als hij maar in Europa kwam.

Hij merkte, dat één bootje nog aan 't strand lag. Daar zat een oude roeier in, die zeker niet even gauw weg had kunnen komen, als de andere. Bo vond, dat 't was alsof die man om zijnentwil daar nog lag. Hij sprong in de boot en zij stootte af.

In 't eerst dacht Bo, dat 't maar goed was, dat nu alles beslist was; maar nauwelijks waren ze een paar roeislagen ver in de open zee gekomen, of een onuitsprekelijke angst kwam over hem.

Wat moest hij zijn moeder zeggen, als hij bij haar kwam? Moest

Jeruzalem. 14

209

Sluiten