Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Is dat Tims Halfvor niet?" vroeg hij zich af. „Is dat Karin Ingmarsdochter? Is dat niet Birger Larsson, dien ik zoo dikwijls heb zien staan smeden aan den grooten weg?"

Bo was in zijn gedachten zóó ver weg geweest, dat er tijd voor noodig was, eer hij begrijpen kon, dat het de pelgrims van Dalecarlië waren, die een paar dagen vóór ze verwacht werden, aankwamen.

Hij stond op in de boot, groette met de hand en riep „Goeden dag!" De stille, ernstige menschen in de boot zagen op, de een na den ander, en bewogen even het hoofd om te toonen, dat ze hem herkenden. Bo begreep, dat hij verkeerd had gedaan door ze op dit oogenblik te storen. Nu konden ze aan niets anders denken, dan aan het plechtig oogenblik, dat ze aan land zouden stappen op Palestina's gewijden grond.

Maar nooit had Bo iets mooiers gezien dan die strakke gezichten. Hij werd zoo blij en zoo bedroefd tegelijk. „Zie eens, zulke menschen hebben wij in ons land," dacht hij, en hij verlangde zóó, dat hij wel in zee had willen springen om zijn goud terug te vinden.

Ver achter in een van de booten zat een meisje, dat den hoofddoek zoover naar voren getrokken had, dat Bo haar gezicht niet kon zien. Maar juist toen de boot hem voorbij gleed, schoof ze den doek achteruit en zag naar hem.

En Bo herkende Gertrud!

Toen beefde hij van 't hoofd tot de voeten van ontroering. Hij ging zitten en hield zich aan de verschansing vast. Hij was bang voor zijn eerstvolgende beweging. Hij v/as bang, dat hij in zee zou springen om eerder bij Gertrud te zijn. Tranen stroomden uit zijn oogen, terwijl hij de handen vouwde en God dankte. Neen, nooit te voren was iemand zóó beloond, omdat hij afstand van een zonde gedaan had. Nooit te voren was God zóó goed voor iemand geweest.

211

Sluiten