Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christenen toornig aankeek, hem komen zag, boog hij zich voor den man, wiens verstand bij God is, en kuste zijn hand. Eiken keer, dat de oude dit eerbetoon ontving, zag hij den man met verwachting aan; 't volgend oogenblik trok hij zijn hand terug, veegde die aan zijn langen, groven mantel af, keerde terug naar buiten en nam het kruis op den schouder.

Grenzenloos langzaam liep hij dan gewoonlijk naar 't noordelijk gedeelte van de stad, waar de lijdensweg van Christus in droeve somberheid ligt. Zoolang hij op de straten vol menschen was, zag hij ieder aan, bleef staan, keek onderzoekend, en wendde zich weer af in eeuwigdurende teleurstelling. Vriendelijke waterdragers, die zagen hoe hij zweette op zijn zwaren tocht, reikten dikwijls een kleine tinnen schaal met water, en groentehandelaars wierpen hem gewoonlijk een handvol boonen of pistaches toe. Als hem deze gaven aangeboden werden, nam hij ze eerst stralend van vreugde aan, maar keerde zich dan af, alsof hij iets heel anders en veel beters verwacht had.

Als hij op den Lijdensweg kwam, zag hij er hoopvoller uit, dan onder 't eerste gedeelte van den tocht. Hij steunde niet zóó diep onder den zwaren last. Hij hield den rug rank en keek rond als een gevangene, die nu zeker was van zijn bevrijding.

Hij ging uit van de eerste van de veertien statiën op den Lijdensweg van Christus, die langs de heele straat door kleine steenen plaatjes worden aangewezen. Maar hij bleef niet staan, voor hij buiten bij 't klooster der Sionszusters kwam, bij den Ecce-Homo-boog, waar Pilatus Christus aan 't volk vertoonde. Daar slingerde hij 't kruis op de straat, als een last, dien hij nooit meer zou behoeven op te nemen, en bonsde op de kloosterpoort met drie sterke, harde slagen. Eer nog iemand had kunnen opendoen, had hij zich de doornenkroon van 't hoofd gerukt en soms was hij zóó zeker van zijn zaak, dat hij die aan een van de honden toewierp, die hun slaapplaatsen bij 't klooster hadden.

Daar binnen in 't klooster kende men zijn bonzen. Een van de vrome zusters deed het poortluikje open, en stak hem een klein, rond brood toe.

Daar werd hij vreeselijk boos om. Hij nam het brood niet aan, maar liet het op den grond vallen. Hij stampvoette en hief luide kreten van wanhoop aan. Lang bleef hij buiten de poort staan. Eindelijk kreeg zijn gezicht weer de uitdrukking van zachtmoedig lijden. Hij boog zich weer naar 't brood, en at het op met gulzigen honger. Hij zocht de doornenkroon weer op, en opnieuw nam hij 't kruis op de schouders.

Maar een paar minuten later stond hij stralend van hoop bij de kleine kapel, die 't huis van Veronica genoemd wordt, en door teleurstelling gebogen trok hij vandaar verder. Hij ging de heele

214

Sluiten