Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar het liep tegen den avond, en de zon stond dicht bij den rand van de westelijke heuvels. Ze was heel rood en groot, en goot een sterken glans over den hemel. Ook de aarde glinsterde en fonkelde in rood en goud. Maar Birger kreeg den indruk, alsof de glans, die over de aarde lag, niet van de zon, maar van de stad tegenover hem kwam. Van uit haar muren stroomde die, haar muren, die als lichtend goud waren, en uit haar torens, die gedekt waren met platen van gebrand glas. Birger Larsson glimlachte, omdat hij twee zonnen zag: één aan den hemel, en één die Gods stad, Jeruzalem, was.

Een oogenblik voelde Birger zich geheel doordrongen door een genezende vreugde. Maar spoedig kreeg de koorts weer macht over hem, en op den geheelen tocht naar de kolonie, die aan de andere zijde van de stad lag, was hij bewusteloos.

Zoo doende wist hij ook niets van de ontvangst in de kolonie. Hij kon evenmin genieten van 't groote huis, als van de witte marmeren trappen, of de mooie galerij, die om den tuin liep. Birger kon 't mooie verstandige gezicht van Mrs. Gordon niet zien, toen ze naar buiten op de stoep kwam, om de aangekomenen te verwelkomen, of de oude Miss Hoggs met de ronde uilenoogen, of iemand van zijn andere nieuwe broeders en zusters. Hij wist er niets van, dat hij in een groote, lichte kamer gebracht werd, die nu voor hem en zijn familie als woning zou dienen, en waar men haastig een bed voor hem in orde maakte.

Den volgenden dag was hij even ziek, maar langzamerhand kreeg hij zijn bewustzijn terug. Dat was zijn groot verdriet, dat hij sterven moest zonder Jeruzalem en haar gouden straten en haar heeilijkheid van dichtbij te hebben gezien.

„Ach, dat ik zóó ver gekomen ben," zei hij, „en nu sterven moet, eer ik de paleizen van Jeruzalem en haar gouden straten gezien heb, waar de heiligen in witte zijden kleederen wandelen, met palmen in de handen."

Hij lag hierover twee dagen te klagen. De koorts nam toe, en zelfs onder 't ijlen uitte hij zijn angst, dat hij den gouden glanzenden muur niet meer zou zien en de stralende torens, die Gods eigen stad bewaakten.

Zijn wanhoop en angst waren zóó groot, dat Ljung Björn en Tims Halfvor zich over hem ontfermden, en besloten hem tevreden te stellen. Zij meenden, dat hij beter zou worden, als zijn wensch vervuld werd. Zij timmerden een draagbaar, en op een avond toen het wat koeler was, droegen ze hem naar Jeruzalem.

Zij brachten hem den naasten weg naar de stad, en Birger lag nu volkomen helder te staren naar 't steenige veld en de kale heuvels. Toen ze zoover gekomen waren, dat ze de Damascuspoort konden zien en den stadsmuur, zetten zij de baar neer, opdat de

218

Sluiten