Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zieke zou genieten van 't zóózeer verlangde gezicht.

Birger zei geen woord; hij legde de hand boven de oogen, en spande zich in om te zien.

Hij zag niets anders dan een grijsbruinen muur, die van steen en kalk gebouwd was, zooals ieder andere. De groote poort zag er griezelig uit, vond hij, met haar lagen ingang en haar kroonlijst met punten.

Hij lag daar moe en zwak, en hij kreeg den indruk, dat de anderen hem niet naar het rechte Jeruzalem brachten. Hij had een paar avonden geleden een ander gezien, dat even stralend was als de zon.

„Dat mijn oude vrienden en dorpsgenooten zoo slecht voor me kunnen wezen," dacht de zieke, „dat ze me niet gunnen het ware Jeruzalem te zien!"

De boeren droegen hem de steile helling af, tot voor de poort. Birger had een gevoel, alsof ze hem naar 't ingewand der aarde brachten.

Toen hij door 't poortgewelf heen was, ging hij wat overeind v zitten. Nu zou hij eens zien, of ze hem in de gouden stad gebracht hadden.

Hij was heel verbaasd, toen hij aan alle kanten niets dan leelijke grauwe huismuren zag, en nog verschrikter werd hij bij 't zien van de verminkte bedelaars, die aan de poort zaten, en de magere, vuile honden, die in groepen van vier of vijf op de groote hoopen afval lagen te slapen.

Hij had nooit zulk een akeligen stank geroken, als die hem hier tegemoet kwam, of zulk een drukkende hitte gevoeld. Hij dacht er over, of er wel zóó'n sterke wind kon komen, dat die zware lucht in beweging kwam.

Toen Birger op de straatsteenen beneden zich neerzag, vond hij ze met een dikke laag gedroogd vuil bedekt. En met verwondering zag hij een menigte vodden, koolbladen en vruchtenschillen, die op de straten geworpen waren.

„Ik begrijp niet, dat Haflvor de moeite neemt mij dit arme, ellendige plaatsje te laten zien," mompelde hij in zichzelf.

De boeren droegen Birger vlug door de stad. Zij waren er al meermalen geweest, en konden den zieke zeggen welke plaatsen zij Voorbijkwamen.

„Dat daar is 't huis van een rijken man," zei Halfvor en wees naar een gebouw, dat Birger heelemaal vervallen voorkwam.

Zij sloegen een straat in, die zóó donker was, alsof er nooit een zonnestraal geweest was. Birger lag naar de gewelven te kijken, die van huis tot huis gespannen waren, dwars over den weg. „Zij zijn wel noodig," dacht hij; „als die bouwvallen niet zoo goed gesteund werden, zouden ze gauw instorten."

219

Sluiten