Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dit is de lijdensweg van Christus," zei Halfvor tot Birger. „Hier is Jezus met het kruis langs gegaan."

Birger lag stil en bleek. Zijn bloed bruiste niet door zijn lichaam, zooals aan 't begin van den dag. 't Scheen bijna stil te staan. Hij was koud als ijs. Waar hij kwam zag hij niets anders dan grauwe bouwvallige muren ep een of andere poort. Zelden zag hij een venster, en als hij ze zag, waren ze altijd stukgeslagen en waren de leege ruimten met vodden dichtgestopt.

Halfvor bleef met de baar stilstaan. „Hier stond het paleis van Pilatus," zei hij, „en hier werd Jezus naar buiten gebracht en zeide Pilatus van hem: „Zie den mensch."

Birger Larsson wenkte Halfvor dichter bij hem te komen. Toen nam hij plechtig Halfvor's hand in de zijne, en zei: „Nu moet je mij iets zeggen, want je bent mijn bloedverwant: Geloof je, dat dit het rechte Jeruzalem is?"

„Ja, zeker, dit is nu het rechte Jeruzalem," antwoordde Halfvor.

"ik' ben ziek, en ik kan morgen sterven," ging Birger voort. „Je begrijpt wel, dat 't er niet door kan me voor te liegen."

„Niemand denkt er aan je voor te liegen," zei Halfvor.

Birger had zoo zeker gehoopt, dat hij Halfvor zou kunnen bewegen de waarheid te zeggen. Hij kreeg de tranen in de oogen, nu hij er aan dacht, dat Halfvor en de anderen hem zoo slecht behandelen konden.

Plotseling kreeg hij een goeden inval.

„Ze doen zoo, om me des te meer te laten genieten als ik door de hooge poorten de stad van eer en heerlijkheid word binnengevoerd," dacht hij.

„Nu zal ik ze laten begaan. Ze meenen het zeker goed met mij. Wij, Hellgumianen, hebben immers beloofd elkaar als broeders te behandelen." —

De boeren gingen met hem voort door de donkere straten. Enkele daarvan waren met geweldige doeken bespannen vol groote scheuren en gaten. Waar die doeken hingen, was het bijna niet uit te houden van den stank en de verstikkende hitte.

Een poos later hielden ze op in den voorhof van een oud, grauw gebouw. De open plaats was vol bedelaars en arme kooplieden, die lint en kralen, pijlhout, plaatjes en andere koopwaar verkochten.

„Hier is nu de kerk, die over 't graf van Christus en Golgotha gebouwd is," zei Halfvor.

Birger Larsson zag met matte blikken naar 't gebouw. Dat had ten minste groote deuren en breede vensters en 't was behoorlijk hoog. Maar Birger had nooit een kerk zoo tusschen andere huizen ingesloten gezien. Hij zag geen toren, geen koor, geen wapenhuis. Hij zou zich niet laten wijsmaken, dat dit een Godshuis was.

220

Sluiten