Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En hij kon niet gelooven, dat er zooveel kooplieden en handelaars in den voorhof zouden zijn, als dit het graf van Christus was. Want hij wist wel wie de wisselaars uit den tempel gedreven had, en de kooien van de duivenhandelaars omgeworpen.

„Jawel, ik zie 't wel," zei Birger en knikte tegen Halfvor. Hij dacht bij zichzelf: „Ik ben benieuwd, wat ze nu weer zullen bedenken."

„Ik weet niet, of je nu niet te moe wordt," zei Halfvor. „Och neen, ik word niet te moe. Als jelui 't maar kunt uithouden."

De mannen namen de baar weer op en gingen verder. Ze kwamen nu aan 't zuidelijk gedeelte van de stad. Daar waren 't zelfde soort straten als de andere, maar hier waren ze vol menschen. Halfvor hield bij een dwarsstraat op, en wees Birger de donkere Bedouïenen, die hun geweer op den schouder en den dolk in den gordel hadden. Hij wees hem halfnaakte waterdragers, die 't water in zakken van zwijnsleer rondbrachten. Hij zei hem op de Russische priesters te Ietten, die 't haar in een knoop in den nek hadden opgestoken als meisjes, en op de Mohammedaansche vrouwen, die er als spoken uitzagen, zooals ze daar aankwamen: heelemaal in 't wit, met zwarte doeken voor 't gezicht.

Birger werd er steeds meer van overtuigd, dat zijn vrienden hem op een wonderlijke manier voor den gek hielden. De menschen hier leken niet veel op de vredige palmendragers, die door de straten van 't echte Jeruzalem zouden wandelen.

Maar toen Birger in dat gewemel van menschen was, kwam de koorts terug. Halfvor en de anderen, die zijn baar droegen, zagen, dat hij steeds zieker werd. Zijn handen plukten onrustig aan 't dek. dat over hem was uitgespreid, en de zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd.

Maar zoodra een van de beide dragers van omkeeren sprak, ging hij overeind zitten, en zei, dat het zijn dood zou zijn, als ze hem niet zoover droegen,, dat hij Gods stad te zien kreeg.

Op die manier joeg hij ze voort, tot ze op den top van Sion waren. Toen hij de poort van Sion zag riep hij, dat hij daar uitgedragen wilde worden.

Hij ging overeind zitten in de hoop, dat hij achter dien muur Gods schoone stad zou zien, waar hij zoo naar verlangde.

Maar buiten de poort vond hij niet anders dan een verbrand, onvruchtbaar veld, bedekt met steenen, puin en hoopen afval.» Vlak bij de poort zaten enkele arme menschen neergehurkt. Zij kropen opeen om te bedelen, en strekten naar den zieke hun handen uit, waarvan de vingers afgevallen waren. Zij riepen met een stem, die leek op 't grommen van een hond, en hun gezich-

221

Sluiten