Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten waren gedeeltelijk weggevreten. De een had geen neus en de ander geen wangen.

Birger schreeuwde luid van ontzetting. In zijn zwakte begon hij te schreien, en klaagde, dat hij in de hel gebracht was.

„Dat zijn de melaatschen," zei Halfvor. „Je weet immers wel, Birger, dat die hier in 't land zijn?"

De boeren haastten zich intusschen hem weder naar buiten op den heuvel te brengen, zoodat hij niet meer door 't zien van die ongelukkige stakkers aan de poort gekweld zou worden. Hier zette Halfvor de baar neer, ging naar den zieke toe, en hief zijn hoofd van 't kussen op.

„Nu moet je nog eens probeeren, op te zien, Birger. Hier kan je heel den Doode Zee en den berg van Moab zien."

Birger sloeg nog eens zijn vermoeide oogen op. Hrj zag neer over de eenzame, woeste bergstreek ten oosten van Jeruzalem.

Ver ver aan den horizon glinsterde een waterspiegel, en aan

den anderen kant daarvan stonden bergen, stralend in lichtblauw— als met goud overgoten.

Dit was zóó mooi, zóó fijn, zóo doorschijnend en lichtend, dat men niet kon gelooven, dat dit gezicht iets van deze aarde was.

Birger stond in verrukking van de baar op. Hij wilde dat ver verwijderde gezicht tegemoet gaan. Hij deed een paar wankelende stappen en zonk onmachtig ineen. De boeren meenden eerst, dat Birger dood was; maar 't leven keerde terug, en hij leefde nog twee dagen. Tot zijn stervensuur lag hij te ijlen over het rechte Jeruzalem. Hij jammerde er over, dat het al verder en verder wegging, hoe meer hij het trachtte te naderen, zoodat hij, noch een van de anderen er ooit zou komen.

222

Sluiten