Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zamerhand vanzelf wel zouden inzien, dat ze ongelijk hadden.

„Wij kunnen immers niet van huis tot huis gaan en zeggen, dat we onschuldig zijn," zeiden ze.

Ze troostten er zich mee, dat ze elkaar hadden en eendrachtig en gelukkig leefden.

„De armen en zieken van Jeruzalem schuwen ons nog niet, zeiden ze. „Wij moeten dit over ons heen laten gaan. 't Is een beproeving, die God ons gezonden heeft.

In 't allereerst verdroegen alle Zweden dezen harden laster met groote zielsrust. „Als ze hier zóó dwaas zijn," zeiden ze, „te meenen, dat wij, arme boeren, juist deze stad, waar onze Verlosser gestorven is, zouden opzoeken om er een slecht leven te leiden, dan beteekent hun meening niet veel. Dan doet het er ook niet toe wat ze zeggen." .

Toen de menschen maar al voortgingen hen met verachting te behandelen, verheugden zij zich in de gedachte, dat God hen waardig keurde vervolging en smaad te lijden in dezelfde stad, waar men Christus gehoond en gekruisigd had.

Maar tegen October kwam er een brief aan Gunhild van den rechter. Die was van haar vader. Hij schreef haar om haar te zeggen, dat haar moeder dood was. 't Was in 't geheel geen harde brief, zooals Gunhild had kunnen verwachten. Haar vader verweet haar niets, hij schreef alleen over de ziekte en de begrafenis. Men kon wel voelen, dat de oude rechter gedacht had: „Ik moet voorzichtig aan haar schrijven. Ze zal In elk geval al verdriet genoeg hebben."

Hij had den heelen brief in denzelfden, vriendelijke geest geschreven, zelfs zijn onderteekening. Maar toen had zijn ingehouden toorn opeens macht over hem gekregen; hij had zijn pen diep in den inktkoker gestoken en met groote, grof gevormde letter had hij op den kant van den brief geschreven:

„Je moeder zou nog wel over 't verdriet heen gekomen zijn, dat je haar door je vertrek gedaan hebt, maar ze stierf, omdat ze in de „Zendingsbode" lezen moest, dat jelui een slecht leven leidt daar in Jeruzalem. Zooiets had niemand hier van jelui verwacht, noch van jou, noch van je reisgezelschap."

Gunhild stak den brief in den zak, ze liep er den heelen dag mee rond, zonder er met iemand over te praten.

Zij twijfelde er niet aan, of haar vader had de waarheid geschreven, en dat was het wat haar moeder den dood had aangedaan. Haar ouders waren altijd op hun goeden naam en hun aanzien gesteld geweest. En zoo ging 't haar ook. Geen van de kolonisten had zóó geleden door 't gevoel, belasterd te worden als zij. Haar hielp 't niet, of ze al wist, dat ze onschuldig was; ze voelde zich toch geschandvlekt en meende, dat ze zich niet onder de

228

Sluiten