Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen vertoonen kon. Zij had er zich alle dagen over loopen ergeren en de pijn van de booze tongen als een brandende wond gevoeld. En nu hadden ze 't leven van haar moeder geroofd.

Gertrud en Gunhild woonden in dezelfde kamer, ze waren altijd de beste vriendinnen geweest. Maar Gunhild zei niet eens aan Gertrud wat haar vader schreef. Ze vond, dat 't zonde zou zijn Gertrud in haar geluk te storen. Ze was één en al blijdschap, dat ze in Jeruzalem was, waar alles haar aan haar Verlosser herinnerde.

Maar meer dan eens op dien dag haalde Gunhild den brief voor den dag, en bekeek hem. Ze durfde hem niet weer te lezen: alleen al bij 't kijken er naar snoerde haar hart als dicht, en ze voelde een brandende smart. „Ach, mocht ik maar sterven!" dacht ze. „Ik kan nooit meer gelukkig worden, mocht ik maar sterven!"

Ze ging zitten en keek naar den brief. Ze voelde, dat die een vergif bevatte, dat haar dooden zou, en ze hoopte alleen maar, dat het gauw zou gaan, dat alles spoedig voorbij zou zijn.

Den volgenden dag kwam Gunhild uit de Damascuspoort. Ze was in de stad geweest en ging nu naar huis, naar de kolonie.

't Was een ongelooflijk heete dag, zooals vaak in 't eind van October, kort voor den herfstregen, voorkomt. Toen Gunhild uit de donkere stad kwam, waar huizen en gewelven haar voor de zon beschutten, had ze een gevoel, alsof de verblindende zonnestralen haar troffen als dolkstooten, en ze had lust weer terug te vluchten onder 't koele, schaduwrijke poortgewelf. Ze vond, dat de zonnige weg, dien ze gaan moest, er gevaarlijk uitzag, 't Was alsof ze over een schietbaan moest, terwijl er geschoten werd.

Gunhild wilde toch niet omloopen voor een beetje zonneschijn. Ze had wel gehoord, dat die gevaarlijk kon zijn, maar eigenlijk geloofde ze dat niet. Ze deed zooals men doet, als men door een ónverwachten stortregen overvallen wordt. Ze trok 't hoofd tusschen de schouders, schoof den doek, dien ze om den hals had, wat omhoog in den nek en liep door in volle vaart.

Terwijl ze daar liep, kwam 't haar voor, alsof de zon met een fonkelenden boog in de hand zat en den eenen glanzenden pijl na den anderen op haar afschoot. De zon had niets anders te doen, dan op haar te schieten. Stekelig vuur regende op haar neer; en 't kwam niet alleen van den hemel, alles om haar been glinsterde en deed haar pijn in de oogen. Kleine, scherpe pijlen kwamen opvliegen uit schitterende korreltjes op den weg. De groene vensters van een klooster, dat in de buurt lag, bliksemden, zoodat zij er niet naar durfde kijken. De stalen sleutel in een deur zond een kleinen, nijdigen straal op haar af, en ook de glimmende bladen van een ricinusplant, die den zomer scheen overleefd te

229

Sluiten