Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen den wand moest leunen om niet op den vloer te vallen.

„Och God! nu vervolgt ze me ook hier!" zei Gunhild. „Ik heb zeker veel kwaad gedaan, dat de zon een hekel aan me heeft."

Op 't zelfde oogenblik kwam haar de brief weer voor den geest, de dood van haar moeder, haar ontzettend verdriet en haar verlangen te sterven. Zij had in 't geheel niet aan iets van dit alles gedacht, toen ze in werkelijk levensgevaar was, maar alleen aan de beste manier om zich te redden.

Gunhild nam snel den brief, deed hem open, en ging naar den ingang, zoodat ze hem kon lezen. Ze zag, dat de woorden daar stonden, juist zooals zij ze het zich herinnerde — en ze steunde.

Maar onmiddellijk daarna dacht ze aan iets, dat haar liefelijk vertroostend voorkwam.

„Begrijp je dan niet, dat het Gods bedoeling was je vrij te maken van het leven?"

Dit kwam haar zoo heerlijk voor, een groote genade van God. Ze kon 't zich niet heel duidelijk maken, want ze was maar half bij kennis. De duizeling was teruggekomen, de heele kelder draaide om haar heen, en voor haar eene oog danste een streep van fonkelend vuur. Maar ze hield vast aan die gedachte, dat God haar aanbood om dit leven te verlaten, op te stijgen tot haar moeder in den hemel, en vrij te komen van al haar verdriet.

Zij stond op, legde eerst de handen om den nek, maar nam ze weer weg, ging toen heel kalm naar buiten in den zonneschijn; en liep voort, zooals zij langs 't middenpad in de kerk geloopen zou zijn.

Ze was nu wat bekoeld. In 't eerst, toen ze naar buiten kwam, merkte ze niets, van jagers of spiesen of glinsterende pijlen.

Maar toen ze een paar stappen gedaan had, kwam dat alles weer over haar, alsof 't haar in den rug had aangevallen. Alles op aarde glinsterde en fonkelde, en de zon kwam achter haar aansuizen als een gloeiende vonk en trof haar in den nek.

Ze deed nog een paar stappen. Toen stortte ze neer, als door den bliksem getroffen.

't Waren menschen uit de kolonie, die haar een paar uur later vonden. Zij lag met de eene hand tegen 't hart gedrukt, de andere hield ze voor zich uitgestrekt, geklemd om den brief, alsof ze toonen wilde, wat het was, dat haar gedood had.

232

Sluiten