Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grims de straat langs. Zij hadden verscheiden uren geloopen, om heilige plaatsen buiten Jeruzalem te bezoeken, en waren zóó moe en uitgeput na dien tocht in de sterke hitte, dat ze er uitzagen, alsof ze nauwelijks de kracht zouden hebben het Russische gastenhuis op den top van den heuvel te bereiken.

Gertrud bleef staan en zag naar hen, terwijl ze voorbijtrokken, 't Waren enkel boeren en ze vond, dat het opmerkelijk was, zooals ze op de menschen thuis leken, zooals ze daar liepen, in hun grove rokken en geborduurde buizen.

„Dit is zeker een heele gemeente, die tegelijk naar Palestina gekomen is," dacht ze, terwijl ze daar naar hen stond te kijken. „Hij daar, met den bril op, is zeker de schoolmeester, en die daar, met den dikken knuppel, heeft een groote hoeve en bestuurt de heele gemeente. Die daar, die zoo rechtop loopt, is een oud soldaat, en die man daar, met de smalle schouders en de lange handen, is de kleermaker.

Zij stond daar opgewekt, allerlei verhalen te dichten van wat ze zag, zooals gewoonlijk. „Dat oude vrouwtje, met den zijden doek om 't hoofd is rijk," dacht ze, „maar ze heeft niet weg kunnen komen voor op haar ouden dag, omdat ze eerst haar zonen en dochter moest uithuwelijken en haar kleinkinderen opvoeden. En die oude daar, die naast haar loopt, met zoo'n klein pakje in een doek geknoopt, is heel arm. Hij is een van hen, die hun heele leven lang hebben moeten zwoegen en sparen, om geld genoeg te krrjgen voor de reis naar Jeruzalem."

't Was duidelijk, dat deze pelgrims voldaan waren over hun wandeling. Hoewel ze stoffig en verhit waren, zagen ze er vergenoegd en gelukkig uit; geen ontevreden trek was op een van de gezichten te zien.

„Wat moeten ze vroom en geduldig zijn," dacht Gertrud, „en wat moeten ze Jezus liefhebbén, omdat ze er zóó van genieten, dat ze in Zijn land mogen zijn, dat ze geen pijn schijnen te voelen."

Aan 't eind van den stoet kwamen enkelen, die geheel uitgeput waren, en zich met moeite voortsleepten, 't Was aandoenlijk te zien hoe hun vrienden en familie omzagen en ze bij de hand vatten, om ze den heuvel op te helpen. Maar zij, die er het ellendigst uitzagen, moesten alleen loopen. Met hen was het zoo treurig gesteld, dat niemand kracht genoeg scheen te voelen om hen bij te staan.

Heel achteraan kwam een meisje van ongeveer zeventien jaar. Zij was bijna de eenige, die zoo jong was. De anderen waren meestal oud of van middelbaren leeftijd. Toen Gertrud haar in 't oog kreeg, maakte ze voor zich zelf uit, dat het jonge meisje zoo diep ongelukkig geworden was, dat het leven thuis niet voor haar uit te houden was. Misschien had zij ook wel Jezus ontmoet

233

Sluiten