Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die op haar instormden.

Toen Gertrud in Palestina kwam, had ze gedacht: „Hier ben ik in 't eigen land van mijn Heer en Koning. Nu ben ik onder Zijn bizondere bescherming. Hier kan geen kwaad mij treffen." En ze had zich laten wiegen door 't geloof, dat Christus haar bevolen had naar 't heilige land te reizen, omdat Hij gezien had, dat zij zóóveel geleden had, dat ze niet meer behoefde te dragen, in dit leven, maar van nu af aan rust en vrede genieten zou.

Maar nu voelde Gertrud zich als iemand zich moet voelen, die in een goed versterkte stad woont, en plotseling de beschermende torens en muren ineen ziet storten. Zij zag, dat ze weerloos was. Tusschen haar en 't kwaad, dat haar aanviel, was geen beschermende hand. Integendeel, het ongeluk scheen haar hier erger te treffen dan ergens anders.

Zij wees moedig de gedachte af, dat zij de oorzaak zou zijn van den dood van de jonge Russin. Zij wilde daarover geen gewetenswroeging hebben, maar ze voelde een onbestemde vrees voor de gevolgen, die deze gebeurtenis voor haar zou kunnen meebrengen. „Ik zal nu wel altijd voor mijn oogen zien, hoe de paarden op haar afkwamen," klaagde ze. „Ik zal wel nooit meer een gelukkigen dag kunnen hebben."

'Er kwam een vraag bij haar op, die ze zich haastte te onderdrukken, maar die telkens weer opkwam. Zij begon zich verwonderd af te vragen waarom Christus haar naar dit land gezonden had. 't Was een groote zonde dit te vragen, maar ze kon 't niet laten. „Wat had Christus bedoeld, toen Hij haar hierheen zond?"

„O God," zei ze in haar groote wanhoop, „ik geloofde, dat Gij mij lief hadt, en alles ten beste voor mij zoudt besturen, O God! Ik was zoo gelukkig toen ik geloofde, dat Gij mij beschermen zoudt."

Toen Gertrud in de kolonie terugkwam, vond ze daar een vreemde stilte en een plechtige stemming. De jongen, die de poort opendeed, was ongewoon ernstig, en toen ze op de binnenplaats kwam, viel het haar op hoe zwijgend allen over den steenen vloer voortgingen en dat niemand hardop sprak. „Nu is de dood in ons huis gekomen," dacht ze, nog vóór iemand een woord tegen haar gesproken had.

Spoedig hoorde ze, dat Gunhild dood op den weg gevonden was. Ze was al naar huis gebracht en lag op een baar in de waschkamer, in de kelderverdieping. Gertrud wist, dat de dooden heel spoedig begraven moesten worden in 't Oosten, maar ze schrikte er toch van, dat de voorbereidselen voor de begrafenis al in vollen gang waren. Tims Halfvor en Ljung Björn timmerden een kist en een paar van de andere vrouwen waren bezig de doode af te leggen. Mrs. Gordon was op weg naar den directeur van een van

236

Sluiten