Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jij moogt hem lezen, omdat je mij aan 't schreien gebracht hebt." Gertrud nam den brief en las dien. Toen zag ze naar Gabriël op. „Zoo, dus daarom is ze gestorven."

Gabriël knikte „Ja, ik denk wel, dat 't daarom was," zei hij.

Gertrud schreeuwde bijna: „Jeruzalem, Jeruzalem, gij zult ons aller leven wegnemen. Ik geloof, dat God ons verlaten heeft!"

Mevrouw Gordon kwam juist de poort in en zond haastig Gabriël en Bo naar de bcgraafplaas. Gertrud ging naar het kamertje, dat ze met Gunhild samen bewoond had. Daar bleef zij den heelen avond.

Ze zat daar in een angst, even sterk en onbedwingbaar, als de vrees voor spoken. Ze geloofde, dat er dezen dag nog wat vreeselijks gebeuren zou. Ze was er bang voor, alsof 't op haar lag te loeren in een of anderen hoek. En tegelijk pijnigde haar de twijfel. „Ik weet niet, waarom Christus ons hierheen gezonden heeft," dacht ze. „We brengen immers ongeluk over onszelf en anderen!"

Ze wees wel voor een poos dien twijfel af, maar dadelijk daarna betrapte ze er zich weer op, dat ze zat uit te rekenen hoeveel menschen door hun uittocht uit 't vaderland al in 't ongeluk waren geraakt. Niets scheen zoo stellig, als dat God wilde, dat ze naar Palestina zouden reizen. Hoe kon 't dan mogelijk zijn, dat dit niets dan ellende veroorzaakte? Zij had pen en papier genomen om aan haar ouders te schrijven, maar ze kon niet. „Wat moet ik schrijven, dat ze me gelooven zullen," barstte ze uit. „Als ik ook stierf, net als Gunhild, dan zouden ze me misschien gelooven, als ik schreef, dat we onschuldig zijn."

De dag sleepte zich ten einde, en de nacht kwam. Gertrud was zoo ongelukkig, dat ze niet kon slapen. Ze zag Gunhilds gezicht voor zich, en onophoudelijk vroeg ze zich af, waar de doode over peinsde. Ze werd er meer en meer zeker van, dat Gunhild met dezelfde vraag op de lippen was gestorven, waar zij ook mee worstelde.

Eer nog de dag aanbrak, stond Gertrud op, en kleedde zich om,

uit te gaanDen laatsten dag en nacht was ze zóó ver van Christus weg

geraakt, dat ze bijna niet begreep, hoe ze ooit weer tot Hem terug

zou komen.

Nu tegen den morgen overviel haar een sterk verlangen om naar een plaats te gaan, die ze heel zeker wist, dat Hij betreden had. En de eenige plaats, waarvan de ligging nooit bestreden werd, was de Olijfberg. Zij stelde zich voor, dat ze, als ze daarheen ging, Hem weer nabij zou komen, zich door Zijn liefde omringd voelen, en Zijn bedoelingen met haar begrijpen zou.

Toen ze eerst buiten kwam in de duisternis van den nacht,

239

Sluiten