Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zag in, dat ze Hem dien dag niet meer verwachten kon. Maar ze voelde zich daarom niet bedrukt of onrustig. „Hij zal morgen komen," zei ze in zichzelf, met de grootste overtuiging.

Ze ging den berg weer af; en kwam in de kolonie terug met een gezicht, dat straalde van geluk. Maar ze vertrouwde niemand die groote, heerlijke zekerheid toe, die haar vervulde. Den heelen dag zat zij als gewoonlijk te werken, en sprak over onverschillige dingen.

Den volgenden morgen stond ze opnieuw op den Olijfberg in 't vroege morgenuur.

En den eenen morgen na den anderen kwam zij terug, omdat zij de eerste wou zijn onder de menschen, die Christus zouden zien komen in de heerlijkheid van den ochtend.

Haar wandelingen werden spoedig in de kolonie opgemerkt en men verzocht Gertrud thuis te blijven. De kolonisten hielden haar voor, dat het hen zou schaden, als de menschen haar eiken morgen op de knieën op den Olijfberg zagen liggen, om Christus' komst te verwachten. Als ze zoo voortging, zou men ook nog van hen gaan zeggen, dat ze waanzinnig waren.

Gertrud beproefde gehoorzaam te zijn en thuis te blijven. Maar in den vroegen morgen werd ze wakker en dan was het zeker voor haar gevoel, dat Jezus dien dag komen zou. En dan kon niets ter wereld haar weerhouden, op te staan, en zich naar buiten te spoeden, om haar Koning en Verlosser te ontmoeten.

Dit wachten was één geworden met haar geheele zieleleven; zij kon 't niet weerstaan, er zich niet van losmaken. Er was geen verwarring in haar hersens, ze was alleen in zoover veranderd, dat ze opgewekter en zachter geworden was dan vroeger.

Langzamerhand raakte men zoo gewend aan haar morgenwandelingen, dat ze komen en gaan kon, zonder dat er iemand notitie van nam. Maar als ze 's morgens uitging, zag ze een donkere schaduw aan de poort staan wachten. En altijd door, terwijl ze den berg opklom, hoorde ze met ijzer beslagen hielen achter zich. Zij sprak nooit tegen de schaduw, maar ze voelde een soort van veiligheid, als ze die zware stappen achter zich hoorde.

Nu en dan, als ze van den berg afkwam, stond ze opeens vlak voor Bo, die tegen een muur geleund stond te wachten, met een uitdrukking van trouw in de oogen, die haar aan een grooten hond deed denken. Bo bloosde en wendde de oogen af, en Gertrud ging voort zonder te laten merken, dat ze hem gezien had.

Jeruzalem, lt

241

Sluiten