Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BARAM PACHA.

De kolonisten -waren heel blij, toen ze het nieuwe, prachtige huis buiten de Damascüspoort gehuurd hadden 't Was zoo groot, dat ze er bijna allen konden wonen, en maar een paar families hadden ergens anders een woning moeten huren.

't Was ook heel prettig te bewonen, met zijn terrassen op 't dak en zijn open zuilengangen, waar men 's morgens zoo heerlijk de warmte kon ontvluchten. Ze konden niet laten 't op te vatten als een bijzondere genade Gods, dat zulk een huis juist leeg gekomen was. Ze zeiden dikwijls, dat ze niet wisten wat ze hadden moeten doen, om dat gevoel van behaaglijkheid en dien onderlingen band te kweeken in de kolonie, als ze niet een afzonderlijk huis hadden kunnen krijgen, maar op verschillende plaatsen in de stad hadden moeten wonen.

Maar nu hoorde dit huis aan Baram Pacha, die toen gouverneur in Jeruzalem was. Hij had dat groote huis ongeveer drie jaar geleden gebouwd voor zijn vrouw, die hij boven alles liefhad. Hij wist, dat hij haar geen grooter vreugd kon geven dan door een huis te bouwen, waar zij met heel haar groote huishouding in wonen kon, met haar zonen en kleinzonen, haar dochters en schoonzonen en hun kinderen ert dienaren.

Maar toen 't huis klaar was en Baram Pacha daar met de zijnen was ingetrokken, trof hem een vreeselijk ongeluk. In de eerste week, dat hij daar woonde, stierf een van zijn dochters, in de volgende een tweede, en in de derde zijn geliefde vrouw. Toen werd Baram Pacha door grooten rouw aangegrepen. Hij verhuisde ijlings uit zijn nieuw paleis, sloot het af, en zwoer het nooit meer te betreden.

Sinds dien tijd had het paleis leeggestaan, tot de Gordonisten bij Baram Pacha waren gekomen, en hem verzocht hadden het te mogen huren. Allen waren heel verbaasd geweest, toen hij daar-

242

Sluiten